Column

Dylans afkeer

©

Bob Dylan lijkt niet gecharmeerd van de Nobelprijs voor de Literatuur. Hij negeert de prijs alsof het een slechte grap is. Het heeft geleid tot onrust in het Nobelcomité. Een lid van het comité, de Zweedse schrijver Per Wästberg, noemde hem „onbeleefd en arrogant”.

Wästberg voegde eraan toe: „Of hij daagt op [bij de uitreiking] en dan wordt hij verwelkomd. Of hij komt niet opdagen en dan verzinnen we iets anders tijdens het banket. Hoe dan ook is hij de prijswinnaar.” Het Nobelcomité heeft zich gedistantieerd van deze kritiek, maar de mening van Wästberg zou wel eens op brede instemming in Zweden, en ook daarbuiten, kunnen rekenen.

Hoe dan ook is hij de prijswinnaar, zei Wästberg. Een belangrijk zinnetje, want dát vindt het hele Nobelcomité ook nog steeds en het verklaart mogelijk iets van Dylans afkeer.

Jean-Paul Sartre, die in 1964 als eerste deze Nobelprijs weigerde, had zich ook al geërgerd aan de manier waarop de prijs niet alleen werd toegekend, maar tegelijkertijd als een soort verplichting opgelegd. Toen er rumoer ontstond rond zijn weigering, schreef hij aan de Zweedse Academie: „Ik wist niet dat de Nobelprijs wordt toegekend zonder dat men de mening van de geïnteresseerde vraagt, en ik dacht dat ik het nog op tijd kon verhinderen.”

Sartre had al bij het vernemen van de eerste geruchten het Nobelcomité per brief gewaarschuwd dat hij zou weigeren. Hij voerde aan dat hij altijd officiële onderscheidingen had afgeslagen, bovendien vond hij het te zeer een prijs voor schrijvers uit het Westen en dissidenten uit het Oosten. Maar de beslissing was al genomen en de Zweedse Academie reageerde laconiek in een communiqué: „Het feit dat hij deze onderscheiding afslaat brengt natuurlijk geen verandering in de geldigheid van de toekenning. Er rest de Academie slechts te constateren dat de uitreiking van de prijs niet zal plaatsvinden.”

Of je als laureaat nou wilt of niet wilt, de Nobelprijs is onontkoombaar. Dat is prettig voor winnaars die door hun (totalitaire) land onder druk worden gezet om te weigeren. Maar iemand als Dylan lijkt mij een te recalcitrante geest om zich zomaar, zonder enig vooroverleg, naar Stockholm te laten commanderen voor een prijs waar hij geen behoefte aan heeft.

Het verschil met Sartre is dat Dylan wél onderscheidingen heeft geaccepteerd, al heeft hij ook eens geweigerd. Op internet zijn allerlei filmpjes van prijsuitreikingen aan Dylan te zien. Als er een oorwurm in beeld komt, is het meestal Dylan zelf. Aan alles is te merken dat hij liever thuis een liedje zat te schrijven.

Zijn dankwoordje bestaat uit twee onverstaanbare zinnen, uitgesproken zonder het publiek en de prijsuitreiker aan te kijken. Toen Obama hem een medaille omhing, keek Dylan alsof hij gewurgd kon worden. Zijn zonnebril hield hij op.

Ik zou zijn houding, ook nu tegenover de Zweedse Academie, niet zozeer ‘onbeleefd en arrogant’ willen noemen, maar onverschillig, eventueel blasé. Ergens ver weg, in een niet zo belangrijk Europees land, willen ze hem een prijs aansmeren, vergezeld van allerlei toeters, bellen en fanfare waar hij in zijn lange, beroemde artiestenleven al genoeg van heeft meegemaakt. Hem is nooit iets gevraagd, waarom zou hij dan nu moeten reageren?

Hij zwijgt, maar hij wil zeggen: „Laat me met rust.”