Recensie

In het kleine schuilt poezië

‘Het liefst zou ik nog een erg goede dichter worden’, zei Nicolaas Matsier in 1998 in een interview, op de vraag wat hem, na het succes van Gesloten huis, nog te doen stond. ‘Zo wil ik graag eindigen: als een heel goede dichter.’

Zo her en der waren er toen al wel eens wat gedichten van hem verschenen. Stilistisch lag het dichterschap bij hem ook wel voor de hand. Matsier is een scherpe en precieze schrijver, met een beschouwende inslag, met veel aandacht voor woorden en met veel aandacht voor details. Ik geloof dat Gerrit Komrij hem eens getypeerd heeft als een schrijver die een roman zou kunnen schrijven over een lucifersdoosje – of was het alleen de achterkant van een lucifersdoosje?

Nu is dan zijn eerste poëziebundel verschenen, bij een margedrukker, in kleine oplage. Hij bevat een gedicht van zestien regels over het leeglopen van een bad. Het is, voor wie er oog voor heeft, altijd weer een enorme gebeurtenis. ‘Haren komen aangevaren.’ Dat rijmt. En die haren ‘klampen zich aan het email.’ Goed gezien.

Iets verderop speelt zich dan een ander tafereel af: ‘Boven de afvoer/ rijst het kolkje,/ trechter van lucht,/ trompet van zuurstof.’ Mooi beeld. In elke minieme aanleiding kan een epos schuilen. Hoe loopt het af? ‘Het bad loopt leeg/ en gorgelt.’ Zo is het. En altijd heeft het weglopen van het badwater iets droevigs. ‘De kuip rouwt/ met een rand van grijs.’

Een snelle dichter is Matsier niet. Deze twintig gedichten werden in een periode van zo’n dertig jaar geschreven. Ze zijn heel divers: korte en lange, brede en puntige, humoristische en filosofische. Geen ik-lyriek. Geen virtuoze verstechniek. Het beschouwelijke overheerst: een geest van lichte verwondering en lichte geamuseerdheid, waaronder de nodige wanhoop en droefenis schuilgaan, zoals in het gedicht over het leeglopende bad. Of in het gedicht over het arme lot van een bladwijzer die zijn boek is kwijtgeraakt. Matsier kan stilstaan bij het ene moment waarop hij geraakt wordt door het spel van het door het water weerkaatste zonlicht op een kademuur en een bruggewelf – ‘driehoek van kabbelend licht, kalm laaiend vuur van golfjes’.

Daar zit ook een besef van vergankelijkheid in, en een verlangen om daaraan even te ontkomen, in de vorm van een gedicht. In het titelgedicht ‘Druppel’ gaat het om het verlangen om even zo’n in zichzelf besloten druppel te zijn, alles om zich heen spiegelend en in zich opnemend, ‘alom aanwezig op één plek’. Het lijkt J.H. Leopold wel. Daartegenover staat de lange, zich kalm voortslingerende monoloog waarin Matsier een rivier aan het woord laat. Het is de Kaustros, de rivier die diepe inzichten gaf aan Herakleitos, de man van ‘niemand stapt twee keer in dezelfde rivier’.

Twintig goede gedichten – dat is niet gek voor een poëziedebuut. Misschien maakt Matsier (1945) nu wel kans op de C. Buddingh’ Prijs 2017. Aan het eind van de bespreking zegt de criticus in zo’n geval: wij zijn benieuwd naar zijn tweede bundel.