Cultuur

Interview

Interview

‘Het verdriet, ja, dat was er gewoon’

Babs van den Bergh (52) schreef een boek over de ziekte en het sterven van haar man, de filosoof en Denker des Vaderlands René Gude. ‘Ik was doodop toen het voorbij was. Maar ik had het graag langer volgehouden.’

Het ijzingwekkende verhaal van Babs van den Bergh begint met een eenvoudig mailtje, 22 november 2007. René en zij zouden een partijtje geven om te vieren dat ze naar hun nieuw gebouwde woonark in het IJ zijn verhuisd. Maar het kan niet doorgaan, want René is gevallen en heeft zijn bovenbeen gebroken. Hij ligt in het ziekenhuis. ‘Morgen weet ik meer’, schrijft ze aan hun vrienden en vriendinnen. ‘Dan lezen jullie ook weer verder van mij.’

Het is het eerste bericht van de tachtig die ze in de zeven jaar daarna versturen zal en die met elkaar de ziekte en het sterven van haar man beschrijven, de filosoof en Denker des Vaderlands René Gude (2 maart 1957-13 maart 2015). De laatste mail is van de dag na zijn dood. ‘Gisteravond laat, na een voor deze weken typische, perfecte dag, kreeg René een longbloeding, hoestte liters bloed op, riep ‘bel 112, this is it’, en stortte voorover op de rand van het bed.’

In die zeven jaren veranderde René Gude van de betrekkelijk anonieme directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte te Leusden in een Bekende Nederlander, die veelvuldig en uitvoerig werd geïnterviewd (Wilma de Rek voor de Volkskrant, wijlen Wim Brands voor de VPRO) en in De Wereld Draait Door mocht vertellen over zijn snel naderbij komende levenseinde. Hij sprak over Descartes en de noodzaak om je welbewust te verhouden tot de wereld om je heen. En over angst en woede en verdriet, emoties die zich in de hele natuur voordoen. ‘Je wordt agressief en daarom ga je ergens op af. Je wordt bang en je vlucht. Of je bent bewegingloos en je kunt geen kant op. Dat is verdriet.’

De woede vond hij wel lekker, soms. De angst vond hij vreselijk. En het verdriet, ja, dat was er gewoon. Maar niet de hele tijd. Want emoties ebben altijd weer weg, zei hij, hoe heftig ze ook zijn. Je moest ze niet ontkennen, maar voelen. Het beest in de bek kijken. René Gude had een zeldzame vorm van kanker, die in zijn botten begon en later opdook in zijn longen. Het been dat hij in 2007 brak, door de tumor, moest in 2011 geamputeerd worden. Hij had er toen al een serie van zes chemokuren op zitten, waaraan hij bijna bezweken was.

Lelijke benen

Babs van den Bergh, ook filosoof, heeft de tachtig mails aan vrienden en vriendinnen nu gebundeld in een boek, aangevuld met haar herinneringen: Wat kan mij gebeuren? Leven met René Gude. Ze vertelt over dat leven bij een boterham met pindakaas in de woonark, die inmiddels negen jaar oud is.

Ze kregen wat met elkaar aan het eind van hun studie in Utrecht. Zij was 25 en net van haar ‘Snertbert’ af. Hij was 32 en gescheiden. Hij had twee zoons, Jink en Tibo. Babs: „Ik hing wat rond op het studiesecretariaat en hij kwam zijn scriptie inleveren, over Descartes. We bleven maar kletsen en kletsen, en opeens zaten we in de trein naar Friesland om een weekend te gaan zeilen.” Ze waren heavenly in love, maar ook verlegen. Het werd pas echt wat na een zomerse picknick, bij het Henschotermeer in Woudenberg. In haar boek vertelt ze hoe ze naar de plek fietst waar ze hebben afgesproken en hem in de verte tussen de bomen ziet staan, in een geel T-shirt en een korte witte broek die nog van zijn vader was geweest. ‘Hij had enorm stevige dijen, geen kont en dunne, bleke kuiten. […] Met zijn brede schouders was hij een beetje topzwaar.’ Niet erg aantrekkelijk, dacht ze. Als ze nu doorfietste, dan werd het wat tussen hen en kreeg ze die lelijke benen erbij.

Het werd een gelukkig huwelijk. Helaas wel kinderloos, zegt ze. Maar ze hadden de twee jongens van René, die in hun puberjaren bij hen kwamen wonen. En ze werkten hard. René Gude begon met het Filosofie Magazine en Babs van den Bergh maakte carrière als beleidsadviseur in bio-ethische vraagstukken, daar was ze op afgestudeerd. Genetische manipulatie, prenatale diagnostiek. Toen René een paar maanden ziek was werd ze benoemd tot directeur wetenschapsbeleid op het ministerie van OCW. Nu is ze adjunct-directeur van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten.

Schoolpleinvrees

Ook voordat de botkanker zich openbaarde, zegt ze, was René al zeer naar buiten gericht, anders dan zij. En ja, dat vond ze wel eens lastig. „We hadden daar een uitdrukking voor: schoolpleinvrees. Op het schoolplein heb je altijd kinderen naar wie iedereen toe trekt, en ik ben zo’n kind nooit geweest. Ik werd op de lagere school ook wel gepest. En René – die was flamboyant en expressief en heel werelds. Hij speelde in bandjes en kon mensen enorm aan het lachen maken. Het was tussen ons… heel klein, hoor… maar het was wel een thema.” Rond zijn scheiding was hij een poosje in psychotherapie geweest. Hij zat al in zijn veertiende studiejaar en kreeg zijn scriptie maar niet af. Babs: „Toen zijn therapeut hem een keer vroeg wat hij wilde in zijn leven, had René geantwoord dat hij graag deel zou uitmaken van een groep denkers en kunstenaars, zoals in de tijd van Le Sacre du Printemps rond Igor Stravinsky. Mensen die met hun werk invloed hebben op de samenleving. Later beschreef René aan mij de blik van de therapeut: ik heb hier met een moeilijk geval te maken.”

Ze noemt het de ironie van het lot dat hij die invloed pas kreeg door zijn ziekte. „Elsevier schreef een keer dat niemand ooit van René had gehoord voordat zijn been was afgezet. René zei toen: ze hebben gelijk, en laat ik er dan maar mijn voordeel mee doen. Hij vond de aandacht heerlijk. Hij bezwoer er zijn angst mee, dat ook natuurlijk, en het maakte hem… hoe zal ik het zeggen? Als je hem zag bij De Wereld Draait Door, er zat iets van euforie in. Maar het was niet zo dat hij had liggen loeren op zijn kans en nu eindelijk… Nee. Hij was een vrolijke en actieve man die overal het beste van maakte en dus ook van dat been. Hij klaagde er in elk geval nooit over.”

Altijd weer Descartes

Was ze wel eens jaloers op die aandacht voor hem? „Nee. Nee, ik was niet jaloers. Soms dacht ik: nou weet ik het wel, altijd weer die drie emoties, altijd weer Descartes. Ik dacht: doe eens iets over de fantoompijn. Daar heeft Descartes ook over geschreven.” De eerste maanden na de amputatie had René ondraaglijke pijn aan het been dat er niet meer was. „Filosofisch is het een interessant fenomeen, want wat zegt het over ons bewustzijn? Maar ik denk dat de pijn er te erg voor was.”

Ze was niet opgelucht toen het allemaal voorbij was, al vraag je je bij het lezen van haar boek af hoe ze het hebben kunnen volhouden. Na de chemokuren en de amputatie werd hij herhaaldelijk aan zijn longen geopereerd. Daarna lag hij dan wekenlang als een wrak in zijn bed, soms geteisterd door de angst om te stikken. Het werd voor Babs bijna onmogelijk om nog te werken, hoeveel hulp ze ook kregen van vrienden en vriendinnen. „Ik was doodop toen het voorbij was”, zegt ze. „Maar ik had het graag langer volgehouden. Op het laatst geloof je ook niet meer dat het echt gaat gebeuren, dat doodgaan.”

Zou ze zelf zo ziek worden, dan zou ze niet aarzelen zich op dezelfde manier te laten behandelen, ook nu ze weet hoe zwaar dat is. „Levenslust en doodsangst”, zegt ze. „Gemengd met plichtsbesef tegenover je omgeving. De meeste mensen geven niet op.”

Is ze anders over euthanasie gaan denken? „René is zo ver niet gekomen. En de vraag is of hij ooit zo ver gekomen zou zijn. Zelf vind ik het nogal wat, om van een arts te verlangen om het te doen.”

Op de voorlaatste bladzij van haar boek schrijft ze hoe René zich afvraagt ‘wanneer hij nou de dierenarts moet bellen om hem een spuitje te laten geven’. Thea van de Thuiszorg zegt dan dat hij er niet over in hoeft te zitten. Mensen worden op een dag vanzelf wakker met de gedachte: en nu wil ik niet meer. ‘En dan vraag je om de dokter, en die komt dan.’ Waarna René gerustgesteld zijn schriftje pakt en om een kopje koffie vraagt.