Recensie

Een buitenproportionele zwanenzang

In tegenstelling tot wat de achterplattekst vermeldt, overlijdt er in Gescheiden kamers van Pier Vittorio Tondelli niemand aan aids. Hoofdpersoon Leo, een Italiaanse schrijver, heeft een geliefde, de Duitse pianist Thomas, die na een zeer kort ziekbed sterft; er wordt in dit verband niet verwezen naar een epidemie die voornamelijk homoseksuele mannen treft, en evenmin maakt Leo zich na de dood van zijn partner zorgen over zijn eigen gezondheid. Er gaat een geliefde dood, dat is de kern van de zaak, en daarna begint er een rouwproces. (Tondelli, de auteur, overleed aan aids, dat wel.)

Een interessant thema in het boek is hoe gevoelens van een individu erkenning door de buitenwereld nodig hebben. Leo en Thomas wisselen hun eerste zoen tijdens een popconcert ten overstaan van een publiek dat min of meer begrijpt wat hier gaande is; gejuich en applaus bezegelen hun relatie. Maar wanneer Thomas stervende is, mist Leo die externe bevestiging. Hij moet een stap terug doen: ‘De vaders en de moeders, de kerk, de staat, de burgerlijke stand maakten hun bezit weer op. Ze herschikten, begroeven, overhandigden alles aan het stof van de archieven. Alles behalve het onbeduidende verdriet van een buitenstaander.’ Rouw die is ingebed in de samenleving zou draaglijker zijn, overdenkt Leo, die als Italiaan is opgegroeid met katholieke (doods)rituelen.

Overigens krijg je als lezer wel de indruk dat de hoofdpersoon zijn verdriet cultiveert. Er wordt ons een terugblik gegund op een driejarige, problematische relatie – aan Leo’s categorische weigering samen te wonen ontleent de roman zijn titel – en het wekt enige bevreemding dat daar ‘drie, vier jaar van onverdraaglijke rouw’ op volgen. Ook Leo’s vrienden vinden zijn droefenis buitenproportioneel.

Elk rouwproces verloopt natuurlijk anders, maar toch wringt hier iets; er is duidelijk sprake van een groot verdriet, maar het lijkt niet zozeer verdriet om een geliefde. (Met een biografische zijsprong kun je speculeren dat het in feite de wanhoop van de auteur over zijn aanstaande dood is die achter deze elegie schuilgaat.)

Gescheiden kamers kent navrante en scherpzinnige passages, maar ook minder interessante, zelfs overbodige. De verwijzingen naar aids zijn versluierd, maar het gaat expliciet over seks en drugs in internationale, kunstzinnige, homoseksuele kringen in de jaren tachtig.

Het boek verscheen oorspronkelijk in 1989, als zwanenzang van de auteur (1955-1991). Mij vervulde het eerder van respect voor het lijden van de hoofdpersoon en dat van de jong gestorven schrijver, dan van bewondering voor het literaire werk zelf.