Column

Wantrouwen is goed, te veel ervan is funest

carolinedegruyter0

Je schrijft je vanuit het buitenland in voor de verkiezingen. Zes weken van tevoren mailt Den Haag: je registratie is binnen, het stembiljet wordt opgestuurd. Maar wat je ook ontvangt, geen stembiljet. Twee weken na de verkiezingen valt het stembiljet alsnog op de mat. De post naar Brussel heeft er acht weken over gedaan.

Stemmen is een democratisch recht. Eén stem verandert het land niet, laat staan de wereld – en toch blijf je achter met het gevoel dat je iets wezenlijks door de neus is geboord. Tegelijkertijd weet je: kan gebeuren. Er komt wel vaker post niet aan.

Luister naar Donald Trump, die zegt dat ‘these elections are rigged’, en je beseft: die relativering is aan het verdampen. In Amerika en Europa. Veel burgers vinden dat de democratie niet goed meer werkt. Ze klagen dat er niet naar ze geluisterd wordt, hoe ze ook stemmen. Ze vertrouwen regering en pers steeds minder. Overal zit wat ‘achter’. Voor het Brexitreferendum dacht 28 procent van het Leave-kamp en 16 procent van Remain dat de regering de uitslag zou manipuleren. Dat is veel.

In een democratie is enig wantrouwen gezond: macht moet gecontroleerd worden. Maar veel wantrouwen is funest. Het leidt ertoe dat mensen het democratische proces de rug toekeren en dat politieke beslissingen worden doorgeschoven naar onafhankelijke instanties. Naar onderzoekscommissies. En, steeds vaker, naar de rechtbank.

Deze juridisering van de politiek heeft goede kanten. De rechter kan een brug vormen tussen wetten en de maatschappij, en een democratie beschermen die onder druk staat. Beide functies zijn belangrijk, in een snel veranderende wereld waarin burgers ontgoocheld raken over ‘het systeem’ of radicale uitwegen zoeken. Maar het risico bestaat dat ongekozen rechters besluiten nemen waar volksvertegenwoordigers en regeringen niet meer toe in staat zijn. Dat maakt de rechterlijke macht kwetsbaar. Het gevaar bestaat dat ze zichzelf afbrandt.

In Polen en Hongarije worden rechters politiek gekneveld. In Nederland, waar Geert Wilders wederom in een rechtszaak verwikkeld is, zijn constant discussies gaande over politieke voorkeuren van rechters. In Duitsland, dat een sterk legalistische traditie heeft, stappen groepen burgers naar de rechter om veranderingen af te dwingen in de politiek van de eurozone. De rechters schuiven deze zaken, soms met kritische kanttekening, door naar het Europese Hof van Justitie in Luxemburg. Burgers morren erover. In Luxemburg komen ook steeds meer klachten binnen van burgers die voor nationale rechtbanken geen gelijk kregen – van Spanjaarden die uit huis zijn gezet tot Oekraïense oligarchen die van de Europese zwarte lijst afwillen.

Stapt Trump naar de rechter, als hij verliest? Waarom niet? De extreemrechtse FPÖ deed dat in Oostenrijk, toen haar kandidaat in mei net de presidentsverkiezingen verloor, en heeft er geen spijt van. De partij klaagde over fouten bij het tellen van briefstemmen. Die fouten waren er zeker, altijd geweest ook – behalve dat niemand er ooit een punt van maakte. De rechters ontdekten geen politieke manipulatie, maar besloten dat de verkiezingen over moesten. Nu is de ándere helft van het land razend. Laatst zei een rechter in de pers dat de FPÖ alleen klaagde omdat ze verloren had, en dat hij socialist was. Dat zorgde weer voor trammelant binnen het Hof.

Ze zeggen wel eens dat een democratie veel kan hebben, als de instellingen maar sterk zijn. Maar er is maar één verkiezing en een heleboel achterdochtige kiezers nodig om de reputatie van een van ‘s lands gerespecteerde instituties door het slijk te halen. Het gaat verbazend makkelijk, eigenlijk.

Caroline de Gruyter is correspondent in Wenen en schrijft wekelijks een column over Europa.