Recensie

Vrees voor een wereld zonder geweten

Roman

Het opnieuw vertaalde debuut van Flannery O’Connor uit 1952 is een nu nog actueel verhaal over radicalisering, religie, moord en racisme.

Een rondtrekkende foto Martine Franck/Magnum Photos/HH

‘Als je publiek er dezelfde geloofsovertuiging op nahoudt als jijzelf, kun je je ontspannen en kun je op een normale manier tot dat publiek spreken,’ schrijft Flannery O’Connor (1925-1964) in haar essay The Fiction Writer & His Country, ‘maar als dat niet het geval is, moet je je visie duidelijk maken met behulp van een shockeffect: tegen hardhorenden schreeuw je, en voor de bijna blinde teken je grote en opvallende figuren.’

De Amerikaanse O’Connor (van huis uit katholiek) moet haar lezerspubliek, waar het haar geloofsovertuiging aanging, tamelijk ‘blind en hardhorend’ hebben ingeschat toen ze werkte aan haar debuutroman Wijs bloed. Het is een groteske, naargeestige roman over een wereld waarin elk spoor van liefde en warmte ontbreekt.

In het boek schetst ze een schare aan karikaturale figuren die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Een weerzinwekkende dystopie is het, slechts hier en daar verlicht door een zweempje zwartgallige humor. Onlangs verscheen de roman in een nieuwe vertaling van Ko Kooman.

Van zijn geloof gevallen

Wijs bloed draait om Hazel Motes, kleinzoon van een prediker die sinds zijn twaalfde vastberaden was in zijn grootvaders voetsporen te treden, maar tijdens zijn diensttijd in het leger van zijn geloof viel. Het boek begint tijdens zijn terugreis naar het zuiden van de Verenigde Staten. Vanaf pagina één zet Motes alles op alles om zichzelf – en anderen – te overtuigen van het feit dat Jezus een ‘leugenaar’ was. Hiertoe sticht hij zelfs een nieuwe kerk: de Kerk Zonder Christus. ‘Ik ga prediken dat er geen Zondeval was omdat er niks was om vanaf te vallen,’ spreekt Motes, ‘en geen Verlossing omdat er geen Zondeval was, en geen Laatste Oordeel omdat die eerste twee er niet waren.’

Met het afzweren van Christus (en het veelvuldig gebruik van diens naam als scheldwoord) vervalt voor Motes ook het belang van een geweten. ‘[Je geweten] bestaat niet,’ zegt hij, ‘ook al denk je van wel, en als je dat denkt kan je ’t maar beter de tent uit jagen en het vangen en doodmaken.’

Op een dag koopt Motes een witte hoed. Hij had een zwarte en hij wil er nu één ‘die het tegendeel [is] van de oude’. Zodra hij een band van de nieuwe hoed heeft gehaald, de vouw uit de bol heeft gestompt en de rand omlaag heeft getrokken ‘[ziet] de hoed er even woest uit als de vorige’.

Het fragment symboliseert de vergeefsheid van Motes’ geloofsomwenteling: in zijn hardnekkige poging zijn achtergrond de rug toe te keren, blijft de spil van alles wat hij doet en zegt júist de Christusfiguur die hij zo verwoed probeert van zich af te schudden. De zwarte of de witte hoed: één pot nat.

Humor

Dat de roman uit 1952 stamt, zou je door de schrijfstijl bijna vergeten. O’Connor vertelt het verhaal in puntige, directe zinnen, zonder opsmuk. Ook haar tongue-in-cheek-humor doet allerminst gedateerd aan. Wel kun je je afvragen of de thematiek – een prediker die zich tegen de Christusfiguur afzet – nog wel aansluit bij een Nederlands lezerspubliek van nu.

Over die vraag buigt Rob Schouten zich in zijn inleiding. Aan de hand van een nogal baldadig bij elkaar geharkte serie voorbeelden (zo komen onder meer het islamitische fundamentalisme van IS, het christen-fundamentalisme in het zuiden van Amerika en Knielen op een bed violen van Jan Siebelink voorbij) probeert hij aan te tonen dat religie, na decennia ondergesneeuwd te zijn geweest, nu weer helemaal hot is, maar zijn betoog overtuigt amper.

Meer dan op het christendom, of religieus fundamentalisme, lijkt O’Connor zich in Wijs bloed te richten op de consequenties van een nihilistische opvatting. Ze schetst het schrikbeeld van een wereld die gespeend is van geweten en iedere vorm van zingeving. Daarmee spreekt ze, in tegenstelling tot wat Schouten probeert aan te tonen, júist tot een lezerspubliek waarvoor geloof een ondergeschikte rol is gaan spelen. Liever geloven in een mogelijke onwaarheid, lijkt ze haar lezers op het hart te willen drukken, dan nergens in geloven.