Column

‘Volkswil’ is vloeken in de Brusselse kerk

Vorige week hield Mark Rutte een lezing over het ambt van minister-president (ingekort in NRC, 13/10). Helder schetst hij de ontwikkeling sinds 1848 – van een door collega’s gekozen tijdelijke voorzitter van de ministerraad tot een alomtegenwoordig gezicht van de regering. Gestaag groeiden de noodzaak van coördinatie tussen ministers en de publieke rol jegens parlement en media. Steeds hobbelde het staatsrecht achter de praktijk aan. Rutte: „We hebben de formele vergunningen misschien niet allemaal op orde, maar de uitbouw [aan het huis van Thorbecke] wordt gedoogd.” Volmondig erkent de premier de impact van de EU op deze ontwikkeling, met de toppen als „katalysator”. Deze erkenning is frappant, aangezien Nederland zich lang tegen de Europese Raad van regeringsleiders heeft verzet; in 1974 wilde Den Haag de oprichting blokkeren en nog in 2003, onder Balkenende, mocht het gremium geen vaste voorzitter krijgen. Liever zetten wij onze kaarten op de Europese Commissie, als hoeder van het verdrag en beschermer van kleinere lidstaten. Inderdaad is de Commissie het best geplaatst om compromissen en evenwichten voor de interne markt tot stand te brengen – broodnodig werk, dat de samenhang en onze handelsbelangen dient. Maar behalve regelmachine wordt de EU meer en meer een ‘gebeurtenissenunie’, die snel moet handelen als zich iets ingrijpends voordoet. Sinds 2010 ervaart Rutte dit aan den lijve met paniek om de euro, Oekraïne en vluchtelingen. Op zulke crisismomenten neemt de Europese Raad, met zijn 28 presidenten en premiers, het voortouw. Op zijn Marks gezegd: „Op enig moment is het echt ‘alle helpers weg’ en worden wel of niet knopen doorgehakt. Ook door de Nederlands premier.”

Deze Europese rol is niet altijd een feest. Op de Brusselse top gisteravond zat Rutte vanwege het Oekraïne-referendum klem tussen de nationale volksstem en Europese verantwoordelijkheid. De keerzijde van de macht EU-besluiten te nemen is de plicht thuis regering en parlement eraan te binden. Als Nederland de overeenkomst met Oekraïne niet ratificeert wordt hij er door zijn Europese collega’s op afgerekend. Ook dat erkende Rutte in zijn Thorbeckelezing. De pragmatische personeelsmanager maakte korte metten met het sleetse argument – uitdrukking van Haags ongemak met EU-

toppen – dat onze minister-president enkel primus inter pares is en niet, zoals de Duitse bondskanselier of de Franse president, de chef van een ministerploeg, een regeringsleider. Rutte: „Ons staatsrecht kent deze term niet, maar er is in Brussel echt niemand die daarom op een andere manier naar mij kijkt.” Inderdaad.

Zoals Nederland als enige van de 28 leden het Oekraïense akkoord niet tekende, zo blokkeren de drie miljoen Walen het EU-handelsverdrag met Canada. Maar wie kan er op Unie-niveau ter verantwoording worden geroepen? Op de top verschijnt de Belgische premier Michel. Maar zijn federale regering staat machteloos: handel is een regionale bevoegdheid. Het verzet van Waalse socialisten, belichaamd door regionaal minister-president Magnette, heeft in de Europese Raad van nationale leiders geen stem. Dus voelt Magnette niet de druk van Merkel, Hollande en anderen om te schikken; dwarsliggen is makkelijker. Terwijl het ambt van premier in Nederland sputterend is meegegroeid met de Europese praktijk van chef-beraad, laat België het hier afweten. Dus heeft Rutte voor ons Oekraïne-nee geen excuus, maar kan zijn Belgische collega Michel wegens de opstandige Walen wél zeggen: „Maar ik ben geen regeringsleider.” In beide gevallen zie je: Europese besluitkracht vergt sterke nationale politiek.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en Europese studies (Leiden, Louvain-la-Neuve).