De BMW M2 is bar en boos

Autotest De M-serie van BMW maakt bij Bas van Putten de laagste driften los.

Fleetmanager George van Wagenberg bij de BMW M2 bij BMW Nederland in Rijswijk Foto Peter de Krom

De M2. De nieuwste titel uit de jongensboekenserie M van Motorsport. Van bijna elk model brengt BMW een supersnelle variant met de magische pretletter op de kofferklep. Van klein naar groot heetten ze door de jaren heen M1, M3, M4, M5 en M6, soms Z3M of X6M. De zwaarste jongens zijn geweldig, maar de kleintjes zijn leuker. Dat zijn de oversekste boy racers met kuren.

Dit is er weer een. Gebaseerd op de 2-serie, die ter wereld kwam als adequaat maar geciviliseerd gemotoriseerd visitekaartje voor de betere kantoortypes. En daar ligt nu een drieliter zescilinder turbo met 370 pk voorin. Moet Je Gereden Hebben, zeggen collega’s, Je Weet Niet Wat Je Meemaakt! BEEST!

De persman van de importeur, discreet aanhakend bij mijn optische gevoeligheden, zegt met de ironie die het product verdient; we hebben er twee, één decent in blauw en eentje all the way in wit met kleurrijke striping. Een man een man, loei ik, doe mij de tribale. Ik wil de kwaadste dronk die ze hebben. Men kan geen indiaan zijn zonder veren.

Hij is bar en boos. Het streepjeskorps van BMW heeft hem in een orgie van huiselijk geweld bont en blauw gestickerd in de kleuren van het M-logo – rood, licht- en donkerblauw. De vier uitlaatpijpen tetteren ruiger dan de kopersectie van een Wagner-drama. Carbon luchtgeleiders kleven als wondkorsten aan voorspoiler en achterklep.

De M2 is zo opgeblazen dat het lijkt alsof onder de huid een akelig gezwel op knappen staat. Beter: meerdere gezwellen, minstens vier, in elke uitbuikende wielkast één. Zwerende horrorwielen, ‘19 inch M dubbelspaak styling 437M Black’ volgens de specificatielijst, bollen hun holen uit. Hij staat daar als een gehavende, met striemen en builen overdekte bokser die liever sterft dan opgeeft. Dat hoort, een goede M is drama, maar die principiële appreciatie gaat toch wankelen wanneer je weet dat je een week met Rocky op de bühne staat. Bij elke tankstop petjes die – macho’s onder ons – naar het vermogen informeren, in dialecten die ik dankzij BMW heb leren spreken. „Dâhwilwelvooruutzieker?” (= ‘dat wil wel vooruit zeker?’). Wis en drie, jonge vrienden.

Amour fou

Ik herinner me zulke volksoploopjes van de auto die je zijn voorganger mag noemen, de M3 E46. Die had ik zelf. Metallicgeel, Phoenixgelb geheten, met walgelijke 19 inch-velgen, geleend van de nog snellere M3 CSL. Het was niet eens uit schaamte dat ik de amour fou na een jaar heb beëindigd; chronische tokkie-overlast bedierf het samenzijn. De druppel was een scène op de Afsluitdijk. Ik rijd kalm op de rechterbaan. Een bus vol Poolse seizoenarbeiders komt langszij. Met de verdrietige begeerte van verliezers nemen ze mijn auto op. Stug blijven zij aan mijn linkerflank kleven. Aha, ze willen dat ik gas geef. Dat heb ik, verslagen door het leven, maar gedaan om ervan af te zijn. Polen thuis: Die Kar Bleef Maar Gaan, jongûh! Ware woorden! Toen wist ik zeker dat ik me op een kwade dag aan gort zou rijden met dat monster. Schluss.

Er viel niet normaal mee te rijden. Eerst moest je hem een halfuur warm laten draaien om alle vloeistoffen op bedrijfstemperatuur te laten komen. Daarna begon het ding te zuigen aan je laagste driften. Er zat een sportknop op de middentunnel die hem nog gevaarlijker liet grommen. Die stond bij mij nooit uit, want ik had ook vier pijpen. In tunnels gaf ik met de ramen open dagelijks vol gas. Na veel oefenen kon ik rotondes met stijlvol uitbrekende kont in glijvlucht nemen, de kunst die driften heet. Dit is wat een M je leert: hoe flinterdun je normen zijn.

Mijn M2-week is één chronische proletenreünie. Weer dagelijks aanspraak van door fastfood, nachtlevens en illegale straatraces uitgewoonde types in oude Golfjes met scheef hangende tuninguitlaten. En toch: opnieuw die zwarte magie waar ik nooit overheen groei. De M2 is een briljante hommage aan een achterlijk levensgevoel. De best sturende BMW sinds de mijne, even ongeschikt als dagelijkse auto. Bij 130 zoemt de motor als je trommelvliezen na de disco. Wat ik met hem heb uitgevreten laat ik na mijn genante voorzetten aan uw voorstellingsvermogen over. Het was vette shit, matties.

Het mooist waren de boodschappen. Tegen verblufte omstanders op het parkeerterrein van de Albert Heijn, zei ik maar: „Ja, dames en heren, u ziet waarschijnlijk wel dat er iets niet in de haak is.”

Ik merkte dat ik beschaafder sprak dan anders. De schone schijn, mijn laatste reddingboei.