Column

Stomme pop

Column

Bij Georgina Verbaan loopt de was zelf de machine in

Het was helemaal niet de bedoeling dat ik om half vijf ’s nachts bevangen door een katatone stupor naast de piano op de grond zou zitten. Als een stomme pop. Ik zou ook tevreden in bed hebben kunnen liggen in de wetenschap dat mijn huis opgeruimd is en al mijn werk gedaan. Hoewel er dan ook een licht schuldgevoel geknaagd zou hebben. Maar zo is het niet, oh nee. Ik ben klaarwakker en niets is af. Grappig. Men vraagt aan vrouwen graag hoe ze het doen, een carrière en een kind. Niemand vraagt ooit of je nog vrienden hebt, of hoe het met je post gesteld is. Wanneer je dat voor het laatst geopend hebt, en waarom die arme post voor een deel tussen zacht geworden fruit ligt en de rest op een stapel in gezelschap van zwembandjes, een haarföhn, tekeningen van olifanten met een korte broek aan, kleingeld, dingen die eruit zien alsof ze ooit ergens aan vast hebben gezeten – maar geen idee aan wat dan – en een ongeopend voordeelpak waxinelichtjes. Voor de sfeer. Het is ook jammer dat men tegenwoordig een vrouw niet meer naar de actuele situatie op haar aanrecht durft te vragen, of hoe het met de was gesteld is. Terwijl ik daar nou zo heerlijk over zou kunnen uitweiden. Ik heb er namelijk ideeën over en hanteer een weloverwogen beleid in deze kwesties, probeer de natuurlijke neiging van was en vaat zo min mogelijk in de weg te zitten.

Niemand vraagt ooit of je nog vrienden hebt, of hoe het met je post gesteld is.

Uiteraard oefen ik wel een zekere beteugeling uit met inachtneming van de algehele hygiëne. De was en vaat moeten niet bij de buren aankloppen. Dat gaat vaak lange tijden goed, zeker als ik druk ben (juist als ik druk ben!), dan kan ik bij thuiskomst genieten van een steeds veranderend landschap, dat zeer vaak indrukwekkend is en waar ik dan een oorverdovend stil moment mee beleef door er met een glas wijn in de hand naar te kijken. Zodra het huis dreigt dicht te slibben met gedragen kledingstukken, dan probeer ik ze wel te vangen en te wassen. Het is jammer, maar het is niet anders. Vaak is er in de buurt van de wasmachine dan ook al een indrukwekkende berg gevormd door kleren die vrijwillig de machine in willen. Kijk, als dat zo is, ben ik de beroerdste niet, dan help ik ze er allemaal in zo’n twee dagen doorheen. De schone, droge was laat ik dan weer vrij op een tafel naast de wasmachine. Ik heb mij laten vertellen dat veel mensen de aanvechting zouden hebben om de was op die tafel op te vouwen om er stapels van te maken en die naar de juiste kasten te brengen, maar daar heb ik helemaal geen last van. Ik heb er zelfs moeite mee. Het staat zo ver van de natuurlijke neiging van was af. Vrijheid blijheid. Hetzelfde geldt ook voor het aanrecht. Natuurlijk valt dat me soms zwaar. Voor een mens is het een offer om zo te leven. Maar dat is nu eenmaal de keerzijde van principes, offers brengen. Ik doe het graag.