Spanje is nu het gidsland

Reportage Jeugdvoetbal in Spanje

Nederland moet zich richten op tieners, zegt de technisch directeur van Spaanse bond.

Foto Jasper Juinen/Getty Images

Het krioelt van de kinderen op het kunstgrasveld van het gemeentelijke sportpark César Benito in San Sebastian. Aan de ene kant spelen jongetjes van voetbalclub SD Lengokoak, de andere helft gebruiken de meisjes van Intxaurdi KE. Het is behelpen met de ruimte. Voetbalcoördinator Eulogio Diestre kijkt vanaf de kant tevreden toe. „Het is goed als voetballers vaak aan de bal komen. Dus zetten we ze hier op een klein stuk veld bij elkaar”, vertelt de Bask. „Daardoor leren ze sneller met de bal om te gaan. Maar trainen is anders dan wedstrijden spelen. Dan moet je de techniek ook tactisch kunnen gebruiken.”

Spanje keek in het verleden met een jaloerse blik naar het Nederlandse voetbal. Johan Cruijff werd niet alleen in Barcelona, maar in heel het land gezien als een revolutionair die het voetbal veranderde. De Spaanse School is nog altijd ten dele gestoeld op de principes van de dit jaar overleden voormalige wereldvoetballer. Positiespel en voetballen in een kleine ruimte zijn sleutelbegrippen geworden in de jeugdopleiding. „Wij moeten het niet van onze fysieke kracht hebben, maar van techniek”, legt Ginés Meléndez Sotos uit op het complex van de nationale voetbalbond in Las Rozas.

Meléndez Sotos is als technisch directeur van de bond verantwoordelijk voor het opleiden van nieuwe generaties Spaanse voetballers. Met circa 12.000 clubs en zo’n 875.000 actieve leden is de Spaanse voetbalbond aanzienlijk kleiner dan de KNVB, maar de successen zijn de laatste decennia vele malen groter. De Spaanse bond heeft zelfs een voetbalmuseum ingericht waarin bezoekers een reis door de tijd maken. De hoogtepunten liggen nog vers in het geheugen. Het nationale elftal werd wereldkampioen in 2010 en was in 2008 en 2012 de beste van Europa. Spaanse jeugdelftallen verzamelden daarnaast vele internationale prijzen. En de Spaanse clubteams domineren in Europa. Real Madrid en Atlético Madrid stonden in 2016, net als in 2014, in de finale van de Champions League.

Afbrokkelen

Het Nederlandse voetbal brokkelde de voorbije jaren in velerlei opzichten in een fors tempo af: het laatste EK werd gemist, de Olympische Spelen, het clubvoetbal loopt achterop in Europa. Het Spaanse model moet nu in 2016 als voorbeeld gaan dienen voor Nederland. Maar hoe ziet de succesformule van La Roja er uit? En valt daar wel een blauwdruk van te maken?

Spanje besloot acht jaar geleden het jeugdvoetbal anders in te gaan richten, vertelt Meléndez Sotos. „We boekten wel successen, maar wilden niet stil blijven staan. Voorheen speelden jeugdteams vrijwel allemaal zeven tegen zeven. Nu gebeurt dat alleen nog in Andalusië en in Madrid. In de rest van het land spelen kinderen tot twaalf jaar wedstrijden van acht tegen acht. En daar is een nationale competitie van met ieder jaar een nieuwe kampioen van Spanje. Bij acht tegen acht kun je veel meer structuur aanbrengen dan bij zeven tegen zeven. Als je met een 1-3-3-1-systeem speelt, leid je drie linies op met een centrale verdediger, twee backs, drie middenvelders en een spits. Als je zeven tegen zeven blijft spelen, gaat er veel talent verloren.”

Meléndez Sotos heeft naar eigen zeggen met een technisch directeur van de KNVB – „ik zou zijn naam echt niet meer weten” – gesproken over de toekomst van het jeugdvoetbal. Volgens hem is het goed dat Nederland het ‘zeven tegen zeven’ volgend jaar vaarwel zegt. In Spanje worden echter geen competities ingericht met kleinere formaties, zoals Nederland voor ogen heeft, dan acht tegen acht. „Tijdens trainingen wordt wel met andere samenstellingen gewerkt”, zegt de technisch directeur van de Spaanse bond. „Denk daarbij aan twee tegen twee, drie tegen drie en vijf tegen vijf. Die laatste variant zien we vooral bij het zaalvoetbal. Maar als het gaat om echte wedstrijden dan is het minimaal acht tegen acht. Kinderen stromen daarbij vanaf een jaar of negen in. Dat is een goede leeftijd.”

Kraamkamer

Volgens Meléndez Sotos zou Nederland zich meer moeten richten op tieners van veertien, vijftien en zestien jaar dan op de allerjongsten. „Nederland is in het verleden altijd een kraamkamer van talent geweest. En nog steeds breken er talenten door. Zo is de lichting van Oranje onder de zeventien nu weer heel talentvol. Het gaat er bij deze jongens om dat de juiste stappen naar het profvoetbal worden gemaakt. Komen ze in een competitie terecht waarin ze het te makkelijk hebben, dan kan een groot talent snel weer verloren gaan. Ik denk dat Nederland vooral dáár naar zou moeten kijken.”

De tijd dat Spanje jaloers naar de Hollandse School keek, is voorbij. De jeugdopleidingen van Real Madrid en FC Barcelona behoren tot de beste van de wereld en oefenen aantrekkingskracht uit op Nederlandse talenten. Mink Peeters (18) maakte twee jaar geleden de overstap van Ajax naar Real Madrid om nog beter te worden. In de Spaanse hoofdstad ondervindt hij hoe groot de fysieke en mentale verschillen zijn tussen Spaanse en Nederlandse jeugdvoetballers.

Peeters leert met vallen en opstaan dat zijn fluwelen techniek en inzicht gekoppeld dienen te worden aan een topfit lichaam en een Zuid-Europese vechtersmentaliteit. Alleen de sterksten overleven bij ‘de Koninklijke’. Als Peeters niet voldoet, staat er een ander klaar. De 13-jarige Xavi Simons volgt een zelfde leerschool bij Barcelona. Zijn vader Regillio Simons – oud-prof van onder andere Fortuna Sittard, NAC en Willem II – groeide op in de jeugd van Ajax. Zijn talentvolle zoon is op zijn plek bij Barcelona. „Nederland moet nu naar Spanje kijken in plaats van andersom”, stelt Simons.

Eulogio Diestre stuitert in San Sebastian met een gele bal op het kunstgras, talloze kleine, zwarte stukjes autoband komen omhoog. Weet hij dat Ajax dit soort velden uit oogpunt van gezondheid gaat vervangen? „Nee”, zegt hij lachend. „Wij zijn heel blij met ons veld. Ik speelde vroeger op zand en stenen. Voetbal is ook een beetje leren overleven. Misschien wordt het de huidige generatie soms wel eens te makkelijk gemaakt. Zou het mede daaraan kunnen liggen?”