Recensie

Poëtische lofzang op de meesterwerken van natuur en natuurkunde

©

Het mooie van natuurkunde is dat ze ons een rijk en krachtig beeld van de kosmos aanreikt en in één moeite door met mysteries opzadelt. ‘Want’, aldus Carlo Rovelli in Zeven korte beschouwingen over natuurkunde, ‘de wetenschap toont ons weliswaar hoe we het heelal beter kunnen begrijpen, maar wijst ons er ook op hoe enorm veel we nog niet weten.’

Rovelli is een vooraanstaand Italiaans theoretisch natuurkundige en in het bezit van een fraaie pen. Zijn beschouwingen verschenen eerder in het dagblad Il Sole 24 Ore en zijn nu gebundeld tot een klein boekje dat in de Nederlandse vertaling oogt als een versleten cahier met de omvang van een dichtbundel. En poëzie is het. Zeven keer neemt Rovelli ‘mensen die weinig of niets afweten van de moderne wetenschap’ mee naar de frontlinies van de natuurkunde en het panorama dat hij schetst is van een adembenemende schoonheid en zet aan tot denken.

De eerste beschouwing is gewijd aan de Algemene Relativiteitstheorie van Albert Einstein, ‘de mooiste van alle theorieën’. In die revolutionaire kijk op zwaartekracht draait de aarde niet om de zon door toedoen van een geheimzinnige kracht maar vanwege de kromming van de ruimte die de massa van de zon ter plekke van de aarde bewerkstelligt. Waar Newton de ruimte opvatte als een gigantische lege bak met daarin het universum, stelt Einstein het zwaartekrachtsveld gelijk aan de ruimte. Ruimte golft, kromt zich: een kolossaal weekdier. De zwaartekrachtsgolven die Einstein voorspelde – een open kwestie toen Rovelli zijn beschouwing schreef – zijn dit jaar aangetoond.

Het verfrissende van ‘Zeven korte beschouwingen’ is de ruimte die Rovelli in zijn natuurkundig betoog reserveert voor emotie. Einsteins Algemene Relativiteitstheorie schaart hij onder de ‘absolute meesterwerken’, net als het Requiem van Mozart of de Odyssee. ‘Om te kunnen bevatten hoe schitterend ze zijn is het soms nodig een leerproces te doorlopen’, aldus Rovelli. ‘Maar de beloning is pure schoonheid. En dat niet alleen: ook openen deze werken ons de ogen zodat we het heelal met een nieuwe blik bezien.’

Een nieuwe blik – dat is wat de beschouwingen met elkaar verbindt. In de kwantumtheorie, onderwerp van de tweede beschouwing, gaat het over de detailstructuur van de materie. Het gezonde verstand laat ons in de steek: energie in afgepaste porties, deeltjes waarvan we alleen waarschijnlijkheden kennen. De onderliggende wiskunde werkt, met als tastbaar resultaat ons mobieltje, maar ook een eeuw na zijn geboorte is kwantumtheorie omringd met grote mysteries. ‘God dobbelt niet’, vond Einstein. Is het ‘een ongeëvenaarde duik in het wezen van de werkelijkheid’, vraagt Rovelli zich af. Of ‘een uitglijder die toevalligerwijs functioneert’?

Wetenschap begint met visies, stelt Rovelli, ‘pas daarna komen de experimenten, metingen, wiskunde en strenge deducties’. Millennia lang was de aarde beneden en de hemel boven. Aristoteles zette een bolvormige aarde in het centrum van het heelal. Bij Copernicus stond de zon in het midden. Inmiddels leven we in een uitdijend heelal dat 13,8 miljard jaar geleden begon met de oerknal. In de lus-theorie, Rovelli’s specialisme, kan de oerknal zijn ingeluid door een krimpend heelal.

Tenslotte zoekt Rovelli de plek van de mens in het ‘grote fresco van het heelal’. Tussen beelden van het universum in ons hoofd en de werkelijkheid staan talloze filters. Is vrijheid mogelijk? Wat brengt onze gedachten voort? Veel vragen, weinig antwoorden. Onze beschaving zal het niet redden. ‘Te midden van de oneindige hoeveelheid arabesken waaruit de werkelijkheid bestaat zijn wij slechts een van de vele krabbeltjes.’