Commentaar

Koninklijke financiën vragen eerlijke maar kritische blik

De Tweede Kamer bespreekt komende week met minister-president Rutte de begroting voor het Koninklijk Huis. Als de gang van zaken van vorig jaar bij dezelfde gelegenheid maatgevend is, zijn er weer heel veel grote woorden over heel kleine bedragen te verwachten. Het komt niet vaak voor dat de Kamer zo lang en zo gedetailleerd praat over de kosten van een hek of het bedrag dat is gemoeid met de renovatie van een jacht, zoals toen het geval was.

Maar het ging dan ook om de uitgaven van leden van het Koninklijk Huis. Op dat moment hebben kosten een even grote symboolwaarde als de koninklijke familie zelf. Zie bijvoorbeeld de commotie op Prinsjesdag bij een groot deel van de Tweede Kamer, over de in de begroting vermelde toelage voor prinses Amalia als zij in 2021 de leeftijd van 18 jaar bereikt. Deze bedraagt ruim 1,4 miljoen euro op jaarbasis. Veel geld, maar voor het overige wel een bedrag dat geheel in overeenstemming is met de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis. Zodoende kon de mededeling in de begroting geen verrassing zijn en deed de brede verontwaardiging dan ook gratuit aan.

Dat de uitgaven van het Koninklijk Huis tegenwoordig elk jaar tot politieke discussie leiden is trouwens wel reden voor bezinning. Voorop dient te staan dat er een zuiver debat wordt gevoerd. Daarbij passen geen politieke vluggertjes. Wie kiest voor de monarchie, en dat doet een meerderheid van de volksvertegenwoordiging nu eenmaal nog altijd, kiest ook voor de daarbij behorende nevenverschijnselen, zoals de pracht en praal.

Dat ontslaat de Kamer niet van een kritische blik, graag zelfs, maar dan wel met rationele argumenten. Het is een gegeven dat de leden van het Koninklijk Huis beveiligd moeten. Daar zijn voorzieningen voor nodig en die kosten geld. Meer geld ook dan de modale burger hiervoor zou uitgeven. Daar is niets vreemds aan, en het is dan ook geen grond voor politieke opwinding.

De begroting van het Koninklijk Huis verdient een zakelijke benadering. Daar is door het kabinet eerder al een begin mee gemaakt door de diverse uitgaven in de begroting beter te ordenen. Maar desondanks blijven er telkens weer vragen. Waarom is in de begroting niet terug te vinden dat met de restauratie van de Gouden Koets 1,2 miljoen euro is gemoeid, terwijl dit bedrag wel op de website van het Koninklijk Huis is te vinden? Het zijn mystificaties die het debat onnodig bemoeilijken.

Wat ook niet helpt is de laconieke houding waarmee de premier soms meent te moeten omgaan met het onderwerp koninklijke financiën. Dat bleek eerder deze maand weer eens toen berichten verschenen over een geheime afspraak uit de jaren zeventig van de vorige eeuw waardoor het Koninklijk Huis gecompenseerd zou worden voor het betalen van vermogensbelasting. De serieuze verklaring laat nog altijd op zich wachten. Dat de huidige koning zoals Rutte zei „van niets weet” is in elk geval geen antwoord.

De nieuwe ophef over de ‘franje van Oranje’ bewijst nog eens de noodzaak van maximale transparantie over de begroting van het Koninklijk Huis. Daarnaast blijft een kritische blik op de extra privileges voor leden van het Koninklijk Huis gewenst. Waarom beschikt de koning nog altijd over belastingvrijstellingen? Premier Rutte weigert een motie van de Tweede Kamer om hier een eind te maken, uit te voeren. Het is nu aan de Kamer dan maar zelf wetgeving voor te bereiden. Oftewel: langs de koninklijke weg.