Column

Kom maar op met die handelsverdragen!

Toch grappig om een van de helden van antiglobalisten zijn liefde voor globalisering te zien betuigen. „Ik zie globalisering juist zonder meer als een positieve kracht”, zei econoom Branko Milanovic tegen Stéphane Alonso, NRC-correspondent in Brussel.

Milanovic, auteur van de beststeller Global Inequality, maakte een grafiek die de lievelingsgrafiek werd van iedereen die tegen handelsverdragen als TTIP en CETA is, én van iedereen die zich grote zorgen maakt over de zogenoemde verliezers van mondialisering: de Westerse middenklasse. De grafiek van Milanovic heeft inmiddels zelfs een bijnaam: de olifant. Een eer die maar weinig grafieken gegeven is, tot mijn spijt overigens, want ik voel intense liefde voor grafieken.

Wat laat de olifant zien? De grafiek registreert de groei van het reële inkomen van arm naar rijk over bijna de hele wereld, in de twintig jaar van 1988 tot 2008. Wie gingen er het meest op vooruit? De middenklassen van opkomende landen als China en India en de allerrijksten in het Westen. Wie het minst? De lagere middenklasse in het Westen, en de armste 5 procent.

De matige groei van het inkomen van die middenklasse is volgens velen de reden achter de onvrede onder een deel van de westerse bevolking. Mondialisering (in mijn woorden: toename van wereldhandel, open grenzen voor goederen, bedrijven, mensen en geld) heeft hun weinig gebracht en de ongelijkheid in het Westen vergroot, is het idee. Grote bedrijven wonnen en mensen niet.

Hoe kun je dan toch mondialisering als een positieve kracht zien? Nou, omdat de grafiek ook een indrukwekkende vermindering van de ongelijkheid laat zien: de ongelijkheid tussen landen nam in diezelfde jaren dramatisch af. Hordes mensen buiten het Westen gingen er enorm op vooruit. Dat is een zegen voor de mensheid en een prestatie van formaat. Daar stappen we veel te makkelijk overheen. Wie mondialisering slecht noemt, kijkt naar de wereld met een beperkte blik.

Overigens is de grafiek een stuk minder dramatisch dan vaak wordt gesuggereerd: de middenklasse in het Westen ging er het minst op vooruit, niet op achteruit. Dat wil niet zeggen dat er geen verliezers zijn van mondialisering. Die zijn er wel en daar moeten overheden wat aan doen.

Dat kunnen overheden ook. Mondialisering wordt te vaak afgeschilderd als een natuurkracht waar geen regering tegenop kan. Overheden zouden nog maar weinig bewegingsvrijheid hebben om eigen beleid te voeren, en als ze dat wel doen daarvoor genadeloos worden afgestraft door financiële markten en machtige multinationals. Onzin. Overheden kunnen doen wat ze willen en hebben vaak genoeg meer invloed op de staat van de economie dan open grenzen.

Zo toonde econoom Paul de Beer laatst aan dat de groei van het flexwerk in Nederland weinig te maken heeft met mondialisering. Juist in de Nederlandse exportsector hebben relatief veel werknemers vaste contracten.

Mondialisering dreigt dezelfde dubieuze status te krijgen als Brussel en de Europese Unie: een vat waarin alle grieven en kwaden gestort kunnen worden, een boeman die dient als fijn excuus. De scherpe kritiek op handelsverdragen is goed; volgens Milanovic brengt globalisering zoals het nu is opgezet mensen en bedrijven aan de top meer voordelen dan de rest.

Er valt in TTIP en CETA van alles te verbeteren. Maar laten we niet doen alsof hier een natuurramp in de maak is. Politici, neem het heft in handen, zie de nadelen zonder overdreven te somberen en maak wat van die handelsverdragen.

Marike Stellinga is econoom en schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie