Zo verschillend blikken PvdA’ers en D66’ers terug

Non-fictie Vijftig jaar geleden werd D66 opgericht en verscheen het manifest van PvdA-jongeren. Nieuw-Linksers kijken somber terug. D66 blaakt van zelfvertrouwen, blijkt uit twee nieuwe politieke terugblikken.

Hans van Mierlo op campagne in 1971. Foto Anefo/SPAARNESTAD FOTOARCHIEF

‘Het was een periode van naïviteit’, bekent de één. ‘Ik had in toenemende mate het gevoel dat we ons druk maakten om dingen die er bijna toe deden’, zegt de ander. ‘De bestuurlijke talenten gingen de toon zetten’, sombert de derde.

Jongens waren het. En niet eens zulke aardige. Eerder lastig, manipulatief en machtsbelust. Want daar ging het de oprichters van Nieuw Links vijftig jaar geleden om: aflossing van de wacht in de Partij van de Arbeid. Zoals initiatiefnemer André van der Louw in 1996 zei: ‘Wij wilden het establishment van de PvdA zijn.’ Het was hun politieke vertaling van het toen hoog oplopende generatieconflict.

Ze waren niet de enigen. Enkele weken voordat Nieuw Links naar buiten trad had een andere groep van ‘ongerusten’ zich gemeld. ‘Ten zeerste bezorgd’ (let op het taalgebruik) over ‘de ernstige devaluatie van de democratie.’ Het stond in een Appèl aan de ‘zeer geachte medeburgers’ dat was opgesteld door het zogeheten Initiatiefcomité D’66. Een oproep met plannen om te komen tot ‘een nieuwe vitale democratie.’

Het is de maand van de politieke jubilea. Vijftig geleden publiceerden acht jonge leden van de PvdA het manifest Tien over Rood waarmee de Nieuw Links-beweging in deze partij geboren werd. Het is deze maand ook een halve eeuw geleden dat D66 werd opgericht. En dan was het vorige week ook nog eens de vijftigste verjaardag van de Nacht van Schmelzer die zorgde voor een politieke waterscheiding waarvan de gevolgen in het Nederlandse meerpartijenstelsel nog lang zouden nadreunen.

2110CULc3TIEN

Ter gelegenheid van de vijftigjarige herdenking zijn deze maand twee bundels uitgekomen: Tien over Rood, 50 jaar later over de betekenis van Nieuw Links en Redelijk Radicaal, vijftig jaar D66. Afgaande op de overheersende teneur in beide boeken is het D66 aanzienlijk beter afgegaan dan Nieuw Links. In het Tien over Rood-boek wordt vooral nostalgisch teruggeblikt met weinig opbeurende woorden over de toekomst van de PvdA. Het boek over D66, met bijdragen van mensen die voor deze partij in de Eerste Kamer zitten of daarin zaten, blaakt van zelfvertrouwen. Er is nog altijd een reden van bestaan.

Scherpe analyse

De beste bijdrage in de bundel over Nieuw Links komt van Philip van Praag, tot 2014 als universitair hoofddocent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was in 1966 te jong om zelf betrokken te zijn bij Nieuw Links en heeft daardoor met de nodige afstand een scherpe analyse kunnen maken over doel en resultaten van de beweging. Zijn oordeel over Nieuw Links is tamelijk vernietigend. ‘Veel Nieuw Linksers hadden weinig affiniteit met de leefwereld van veel PvdA-kiezers’, aldus Van Praag. Dat de PvdA hier geen electorale prijs voor heeft betaald is volgens hem vooral te danken aan toenmalig PvdA-leider Joop den Uyl die veel meer oog had voor hun dagelijkse problemen en waakte over het sociaal-democratisch profiel van de PvdA.

Hem had Nieuw Links niet weg weten te krijgen en dat is, aldus Van Praag, ‘een zegen’ geweest voor de partij. Nieuw Links beschouwde Den Uyl als één van de mensen van de oude garde die plaats diende te maken voor de nieuwe generatie. Binnen hun beweging is indertijd serieus gesuggereerd Den Uyl de laatste Nederlandse gouverneur in Suriname te maken.

Het ging de jonge honden in de PvdA louter om de macht. Toen ze die ten dele kregen – André van der Louw werd uiteindelijk partijvoorzitter – hield het al gauw op. ‘De machtsvorming nam de overhand boven het programmatische’, schrijft Nieuw Linkser van het eerste uur Arie van der Hek die tot zijn frustratie zag dat dit ten koste ging van het pleidooi voor inhoudelijke hervormingen. Hij hield het gauw voor gezien.

Kroonjuwelen

2110CULc3Redelijk

Bij D66 daarentegen is de programmatische kant juist een steeds belangrijkere rol gaan spelen, zo blijkt uit hun herdenkingsbundel. Terwijl Nieuw Links in 1966 opstond tegen de regentenmentaliteit van de partijfunctionarissen, richtte D66 zich in eerste instantie tegen het systeem dat niet functioneerde. Vandaar de plannen voor staatkundige hervormingen: rechtstreekse verkiezing van de minister-president, invoering van een districtenstelsel, veel meer aandacht voor de controlerende taak van de Tweede Kamer.

De befaamde kroonjuwelen van D66 bestaan nog altijd, hoewel de partij ze nadien niet altijd in de etalage heeft gelegd, zoals huidig partijleider Alexander Pechtold wel eens heeft gezegd. Hans van Mierlo, oprichter en eerste partijleider, was de man die het bestel zou openbreken; Jan Terlouw, die hem in 1973 opvolgde, maakte van D66 meer een partij die in de geest van de Club van Rome opkwam voor het milieu. De uiteenlopende bijdragen in de bundel met een hedendaagse benadering van tal van onderwerpen laten zien dat de partij zich programmatisch heeft verbreed.

Een beroemde campagnespot van D66 (uit 1967)

Directe democratie

Toch lijkt het geen toeval dat de bundel begint met een stuk van de voorzitter van de D66-fractie in de Eerste Kamer Thom de Graaf over de democratische agenda. Want zoals Van Mierlo al in 1966 stelde, blijft democratische hervorming voor D66 een voorwaarde om andere wensen te vervullen. Vandaar dat volgens De Graaf vormen van directe democratie nodig blijven. Maar sterker dan in 1966 klinkt hierbij de kanttekening dat deze aanvullend moeten zijn op het bestaande stelsel van de representatieve democratie. D66 heeft leergeld betaald met de uitslag van het Oekraïne-referendum, eerder dit jaar, en het Europese-Grondwet-referendum uit 2005. ‘De hervormingen moeten wel glashelder onderscheiden blijven van het populistisch gedachtegoed’, schrijft De Graaf.

D66 en Nieuw Links, beide kinderen van de protestgeneratie die in de jaren zestig van zich liet horen: The Times They Are A-Changing, zong Nobelprijswinnaar-sinds-een-week Bob Dylan in 1964. De destijds 30-jarige Arie van der Zwan was zowel bij het allereerste begin van D66 betrokken als bij de oprichting van Nieuw Links. Hij had het bij D66 al weer snel gezien, omdat hij een sociaal-economische agenda miste.

In zijn bijdrage in het Tien over Rood-boek maakt Van der Zwan een interessante vergelijking tussen de ontwikkeling van D66 en Nieuw Links. Hij prijst D66 dat die er de voorbije vijftig jaar in slaagde zelfs op momenten dat de partij bijna dood was, zichzelf te ‘reorganiseren’ en de koers te ‘herdefiniëren’. Iets dat de PvdA niet is gelukt. Die partij is volgens Van der Zwan slachtoffer geworden van de Wheel of politics en heeft het laten gebeuren dat SP en PVV bezit namen van het electoraat dat de PvdA bestreek. Hoop voor de PvdA heeft hij niet meer. ‘De trendmatige achteruitgang is niet gekeerd en de ontknoping daarvan is aanstaande’, schrijft hij.

Inderdaad, een stevige opvatting over de partij hebben ze ook na vijftig jaar nog altijd.