Interview

‘Iets in mij is ouder dan ikzelf’

Lunchinterview Couturier Mart Visser had niet gedacht ooit als kunstenaar uit de kast te komen, vertelt hij bij een Ice Table. „Schilderen was iets voor naast mijn werk.”

Mart Visser exposeert nu met zijn kunst © Frank Ruiter

Modeontwerper Mart Visser is natuurlijk nooit een one-trick pony geweest. Hij maakte haute couture, en daarnaast bedrijfskleding en behang, sieraden, parfum, brillen en binnenkort vloerkleden. Maar nu, op z’n 48ste, is hij „heel groot in iets nieuws gestapt”. Hij is niet één, maar twee nieuwe wegen ingeslagen. Ontmoet Mart Visser, de kunstenaar. In museum Aan het Vrijthof in Maastricht is een expositie te zien van zijn schilderijen, sculpturen en installaties. En maak ook kennis met Mart Visser, de succesvolle internetondernemer.

Hij stelt voor af te spreken in het Conservatorium-hotel in Amsterdam, nog geen honderd meter lopen vanaf zijn couturesalon verderop in de straat. Hij doet alles in het hotel – eten, vergaderen, sporten, badderen – „behalve slapen”. Hij heeft ook een lunchtip de „Ice Table”. Als je dat bestelt, mag je met een bord langs een buffet vol delicaat bereide groenten. Met onze borden vol zacht gegaarde artisjok, gestoofde pastinaak en ijskoude waterkers zoeken we een tafeltje dat het „meest privé” is. Hij heeft al een handvol bekenden (André van Duin, Isa Hoes) gegroet en gekust. Nu kiest hij de stoel met de rug naar het publiek.

Laten we het eerst over zijn kunst hebben, of zijn artwork, zoals hij het noemt. „Schilderen was altijd een hobby, iets voor naast mijn werk.” Hij heeft een atelier in Amsterdam en één in zijn huis in Zuid-Frankrijk. En daar, in die private hide-away kwam Ivo Niehe opnames maken voor zijn televisieprogramma. Dat was in 2013. Dertig seconden kwam hij schilderend in beeld, hooguit. Daarna werd hij plat gebeld. Uit de hele wereld kwamen er aanbiedingen en verzoeken. Het voelde, zegt hij, als een tweede coming out. „Ik heb lang getwijfeld of ik er wel bekendheid aan wilde geven.” Vond hij wat hij maakte niet goed genoeg? „Ik had nooit gedacht dat iemand het mooi zou vinden.”

Hij nam om te beginnen drie grote werken opgerold mee uit Zuid-Frankrijk en bracht ze naar de opspanner in Amsterdam om ze in te lijsten. „Toen ik ze kwam halen, stonden ze breeduit opgesteld langs de muren. Blijkbaar vond iemand ze daar mooi. Ik schrok me rot. Dolk in mijn maag. Het was alsof mijn ziel werd opengesneden.” Wat werd er blootgelegd? Hij aarzelt: „Een diepe onderlaag.” En wat lag daar? „Dat weet ik niet zo goed.” Hij heeft toevallig laatst iemand naar zijn werk laten kijken, een coutureklant, een vrouw die meer voelt tussen hemel en aarde. „Voor haar was het heel duidelijk. Ze zei: ‘Dit komt bij de Egyptenaren vandaan, en nog ver daarvoor’.” Wat bedoelde ze daarmee? „Ik geloof niet in reïncarnatie ofzo, maar ze legde wel de vinger op de juiste plek. Als kind had ik een obsessie met Cleopatra, Cheops, Toetanchamon. Iets in mij is ouder dan ikzelf.”

Of hij nou een beeld maakt van 120 kilo brons, een tekening of een schilderij van 1.20 bij 1.20, het wordt altijd een gezicht. Koppen, noemt hij het. Wie beeldt hij af? Zichzelf? Jezus? Is het wel een man, of toch een vrouw? „Vul zelf maar in.” Net zo lastig is het de stijl van zijn werk te benoemen. „Ga ik de grafische kant op dan lijkt het Giacometti. Werk ik met ecoline dan is het meer Dumas.”

Zwaar kerkelijke kost

Zijn vader, een voormalig wegenbouwer, was op de opening in Maastricht. „Hij zag mijn installatie van het Laatste Avondmaal. Alle profeten in de lucht, alleen Judas op de grond. Hij zegt: ‘waar haal je het toch vandaan?’” Hij heeft geantwoord dat het door zijn opvoeding komt. Hij is de middelste van drie jongens, geboren in Sleeuwijk, Brabant. „Van mijn ouders heb ik waarden, normen en veel warmte meegekregen, en ja, ook wat religie.” Thuis waren ze hervormd. „Mijn vader kwam oorspronkelijk uit een zwartekousenkerk, maar koos op z’n achttiende voor een lichtere kerk. Na de dood van mijn moeder heeft hij helemaal gebroken met het geloof.” Mart Vissers moeder overleed aan alvleesklierkanker. „Mijn vader gaf me alle boeken van zijn vader. Leren banden met zwaar kerkelijke kost. Ik heb die boeken verscheurd, in water gedrenkt en er een werk mee gemaakt. Schitterend. J.P. Visser uit Werkendam, mijn grootvader, is bij me teruggekomen.”

Februari dit jaar had hij een expositie in „1.500 vierkante meter kaalgeslagen retail”. Een winkelruimte in de Amsterdamse binnenstad waar voorheen V&D zat. „O, ironie.” Mart Visser maakte jarenlang een goed lopende prèt-a-portercollectie voor het warenhuis. Rond de jaarwisseling ging het concern failliet. „Rampzalig.” Maar uit het „negatieve” – de ondergang van V&D – kwam „iets heel positiefs voort”. „Iedereen vroeg me: ‘wat ga je nu doen’. Ik heb er een nachtje over geslapen. Op 2 januari besloot ik de V&D-lijn zelf door te zetten.” Hij kocht zestig procent van zijn eigen collectie terug uit de failliete boedel. Op 15 maart opende hij zijn webshop. „Vanaf dag één liep het fantastisch.” Net als voor V&D ontwerpt hij elf ‘drops’ per jaar – steeds een nieuw plukje collectie – maar nu betaalt hij alles zelf en legt het in zijn eigen online winkel.

Als couturier is hij gewend vrouwen heel precies en persoonlijk aan een kledingstuk te helpen. Moet toch gek zijn om online tientallen anonieme vrouwen te bedienen. „Anoniem? Ik weet precies wie er bij me shopt, dat is de magie van het internet. Ik ken mevrouw Bakker uit Maastricht, en mevrouw Visser uit Hoenderloo. Ze is tussen de 35 en 85, heeft maatje 40-42. Ik zie hoe ze met haar muis over mijn site beweegt, waarop ze klikt, wat ze graag met wat combineert, en ik weet wat ze bestelt.” Hij hoeft geen 480.000 volgers te hebben. „Het gaat erom dat je je 15.000 kopende klanten kent. Die benader ik persoonlijk.” Niet met een schot hagel, maar met „een bullet”.

Horizontale draden

Hij zet zijn leesbril op en scrolt door foto’s van zijn tentoonstelling in Maastricht. „Een bezoekster vertelde met vochtige ogen dat mijn werk bij haar binnen kwam. Dat is toch geweldig?” Het leuke is, zegt hij, dat zijn kunst zijn coutureontwerpen beïnvloedt. Vorige maand presenteerde hij zijn zomercollectie in een leegstaand kantoorpand in Amsterdam-Noord. „Ik had de lange horizontale draden van mijn art doorgetrokken naar mijn jurken.” En wat bleek, tot zijn eigen verbazing? Na afloop wilden klanten die jurken meteen bij hem bestellen. „Om te drágen.” Was dat niet de bedoeling dan? „Jawel, maar je weet van tevoren nooit of iets zal werken of niet.” Ook niet na twintig jaar in het vak? Hij schudt van nee. „Inmiddels weet ik dat ik standvastig moet zijn. Niet doen wat mensen van me verwachten, maar gewoon maken wat ik zelf mooi vind.”

Als zijn kunst art work is, hoe noemt hij dan zijn couture? Kunst? „Nee. Ik heb natuurlijk wel een eigen stijl, een handschrift. Noem mij liever een createur.” De overeenkomst tussen zijn kunst en mode is dat er achter allebei een verdienmodel zit. Ook de expositie in museum Aan het Vrijthof is een verkooptentoonstelling. „Daar ben ik heel duidelijk in. Job, mijn man, en ik hebben best een aardige kunstcollectie thuis, en ik baal zelf ontzettend als ik door een museum of galerie loop en ik wil iets hebben, maar het kan niet, want ‘the artist doesn’t want to sell this piece’. Ja, dàg.” Hij vertelt dat hij een deel van wat hij met zijn kunst verdient, doneert aan het goede doel. Schildersbenodigdheden voor een nieuw op te zetten atelier in een kinderziekenhuis, cursussen voor jeugdige slachtoffers van een ‘geweldsrelatie’.

Hoe moet hij het zeggen zonder pedant te klinken? Hij heeft de inkomsten van zijn kunst niet nodig. Maar dat is niet de enige reden waarom hij geld weggeeft. „Een mooie dag in de couture is: een bruid aan een perfecte jurk helpen, haar persoonlijke verhaal horen, de moeder in tranen. Dan ben ik aan het eind van de dag gelukkig en tevreden. Waarom had ik die bevrediging niet toen een Amerikaan mijn pop-up gallery binnenkwam en zei: ‘Ik wil dat en dat werk van je kopen’? Ergens zat er een storing bij me. Dat heb ik op deze manier opgelost.”

Vindt hij soms dat hij zijn succes niet verdient? Hij leunt achterover. „Ik heb de hele bak kritiek van de kunst-misjpooche natuurlijk over me heen gehad.” Hij schatert. „Er werd zelfs gezegd dat ik mijn schilderijen in China liet maken. Haha. Túúrlijk.”

Succes, zegt hij, is altijd lastig. „Ik ben er allang aan gewend dat de omgeving van alles vindt.” Hij heeft nooit ergens bij gehoord. Niet bij de ‘oude’ couturegeneratie van Frans Molenaar, Edgar Vos en Frans Govers. Maar ook niet bij de nieuwe Nederlandse modegeneratie, met Jan Taminiau en Claes Iversen. Als kunstenaar hoort hij er al helemaal niet bij. Ook niet nu zijn werk al drie keer op Art Miami is geweest en hij door verzamelaars wordt benaderd. „Ik zit niet in een kaal atelier met alleen een schildersezel en geen cent te makken. Ik voldoe niet aan het beeld van een kunstenaar.” Hij moet zijn kunstenaarschap altijd uitleggen. „Nu ook weer. Wij hebben het niet over het waaróm.” Nog voor ik snel ‘waarom dan?’ kan vragen, zegt hij: „Nou ja, zo interessant is dat meestal niet. De meeste kunstenaars putten uit de periode tussen hun nulde en hun achtste levensjaar. Soms krijgen ze in hun latere leven nog een muze. Dan heb je het wel zo’n beetje gehad.”