Recensie

Waarom het jaren-dertighuis zo geliefd is

De huizenmarkt is opgeleefd en opnieuw zijn jaren-dertighuizen razend gewild – en dus flink duur. Hoe komt dat toch?

Foto Luuk Kramer

Architect Jurgen van der Ploeg schrok toen hij vier jaar geleden de uitslag van zijn eigen Smaaktest Haarlem zag. De huizen in de Haarlemse wijken die na de Tweede Wereldoorlog waren gebouwd – zo’n tachtig procent van het totale aantal – werden gewaardeerd met gemiddeld een 5,5 op een schaal van 1 tot 10, zo bleek uit zijn enquête onder duizenden Haarlemmers. De woningen uit de periode 1945-1995 kwamen zelfs niet verder dan een 4,5. Het was dankzij de zo vaak verguisde Vinexwijken van na 1995 dat de naoorlogse woningbouw nog een mager zesje kreeg.

Makelaars waren minder verrast. Die weten al vele jaren dat vooroorlogse huizen geliefder zijn dan naoorlogse. Of het nu rijtjeshuizen, twee-onder-eenkappers of appartementencomplexen zijn, woningen uit het interbellum zijn zes tot tien procent duurder dan huizen uit andere tijden. Ook tijdens de afgelopen crisis waren ze duurder, en nu de huizenmarkt weer is opgeleefd, zijn ‘jaren-dertighuizen’ weer even fel begeerd en moeilijk te verkrijgen als voor de crisis.

De populariteit van de jaren-dertighuizen is geen modeverschijnsel. Vijfentwintig jaar geleden waren ze al zo populair en schaars dat commerciële bouwers zorgden voor een alternatief: nieuwbouwwoningen in jaren-dertigstijl. De gemeente Helmond zette de stijl zelfs in als middel om zijn armoedige imago te verbeteren en nieuwe bewoners met hogere inkomens te trekken. In 1993 begon de vroegere Brabantse industriestad met de bouw van de wijk Dierdonk, die nu met 2.000 woningen de grootste nieuwbouwwijk in neo-jarendertigstijl in Nederland is.

De populariteit van de jaren-dertigstijl is niet moeilijk te verklaren: het is de laatste huiselijke, rijke architectuurstijl die de twintigste eeuw heeft opgeleverd.

De stijl begon een eeuw geleden als een mengelmoes van nieuwe stijlen als het rationalisme van Berlage, de Delftse School, de Amsterdamse School en de prairie style van Frank Lloyd Wright, de Amerikaanse architect die in het begin van de twintigste eeuw voor veel Nederlandse architecten gold als de modernste ter wereld.

Pas in de jaren dertig werd de jaren-dertigstijl een algemene ‘balansstijl’, zoals stedenbouwkundig onderzoeker Joost Kingma het noemt in zijn boekje De magie van het jaren ’30 huis. „Modern en traditioneel, vernieuwend en conservatief, rede en gevoel en stad en land worden hierin met elkaar verbonden”, schrijft hij.

Erkers, serres, bloembakken

Opvallendste kenmerk van de jaren-dertigstijl zijn de overdreven lange en steile, met pannen of riet bedekte zadeldaken met grote overstekken die bewoners letterlijk een enorm ‘dak boven hun hoofd’ geven en zo zorgen voor een gevoel van geborgenheid. De horizontale lijnen in het bakstenen bouwdeel onder het dak doet de jaren-dertighuizen nog breder lijken dan ze al zijn en zet ze ook stevig op de grond. Verder zorgen erkers, serres, bloembakken, veranda’s, stoepen, trapjes en luifels voor geleidelijke overgangen van buiten naar binnen, zodat het binnengaan bijna een ritueel is.

Dat de rijke ‘jaren-dertigstijl’ juist zijn hoogtepunt bereikte tijdens het decennium dat bekend staat als een armoedige tijd, komt doordat de crisis in de jaren dertig anders verliep dan de langdurige economische malaise die Nederland sinds 2008 kende.

De neergang die volgde op de internationale beurskrach van 1929 had minder grote gevolgen voor de woningbouw dan de crisis die Nederland net achter de rug heeft. Werd de woningbouw in Nederland na de bankencrisis in 2008 gehalveerd van 80.000 tot 40.000 nieuwe huizen per jaar, in de jaren dertig bleef de nieuwbouw redelijk op peil en beleefde in 1934 met 52.000 woningen zelfs een absoluut hoogtepunt in het interbellum.

Dit kwam doordat de crisis toen weliswaar zorgde voor werkloosheid onder arbeiders maar de middenklassers nauwelijks raakte. Aangezien aandelen geen cent opleverden, staken die hun geld veelal in huizen voor zichzelf en andere middenklassers. Bouwgrond was toen, anders dan nu, niet grotendeels in handen van grote projectontwikkelaars en grote bouwondernemingen. Iedereen die dat wilde, kon een paar huizen of zelfs een kleine woonwijk als belegging bouwen.

Door de kleinschalige aanpak sluiten de woonwijkjes uit de jaren dertig in de Nederlandse steden op een vanzelfsprekende, ‘organische’ manier aan op de oudere stadsdelen. De tuinwijken met jaren-dertighuizen zijn vaak ruim opgezet: de bouwkavels en dus ook de tuinen zijn groter dan die in de grootschalige buitenwijken die na Tweede Wereldoorlog uit de grond werden gestampt. Ook de straten zijn breder dan die in de naoorlogse wijken. Zelfs nu ze vol staan met auto’s, zorgen de vaak kronkelige lanen en straten met aan weerszijden grote bomen voor een landelijk gevoel.

Nostalgie naar betere tijden

Veel critici zien de retrostijlen die de afgelopen kwarteeuw zijn opgekomen in de Nederlandse woningbouw als een uiting van valse nostalgie naar voorbije tijden die beter en veiliger lijken dan het huidige tijdperk van globalisering en digitalisering. Dit speelt vast een rol bij de huidige populariteit van de jaren-dertighuizen. Maar een belangrijkere reden voor het verlangen naar de jaren dertig is eenvoudigweg dat de huizen niet alleen relatief groot zijn, maar ook veel zorgvuldig vervaardigde details hebben, zoals mooi metselwerk, houten lambriseringen, glas-in-loodramen en deuren met profielen. Jaren-dertighuizen zijn aardse, ambachtelijke en vooral ‘gezellige’ huizen en deze eigenschappen worden in het digitale tijdperk steeds meer gewaardeerd.

Na de Tweede Wereldoorlog verdween de gezelligheid uit de Nederlandse nieuwbouwwoningen. Kwantiteit ging boven kwaliteit. Om de woningnood, ‘volksvijand nummer één’, te bestrijden werd de woningbouw op initiatief van de overheid van een ambachtelijke, kleinschalige bedrijfstak omgekat tot een door grote bouwbedrijven gedomineerde industrie die uit geprefabriceerde onderdelen woningen voor de ‘massa’ produceerde. De bouwstijl die hier het best bij paste was het modernisme met zijn zakelijke vormen en taboe op ornamenten.

Ook de tienduizenden woningen die de afgelopen kwarteeuw in neo-jarendertigstijl zijn gebouwd, zijn op industriële wijze geproduceerd. Op een enkele uitzondering na zijn ze voorzien van dezelfde ‘opdekdeuren’ (goedkope planken die voor deuren moeten doorgaan) als het gemiddelde nieuwbouwhuis in Nederland. Ook in neo-jarendertighuizen zijn deurlijsten holle stalen balken en binnenmuren gipswanden zonder plinten waaraan je geen kapstok kunt ophangen. De prominent aanwezige dakranden zijn niet meer dan vlakke planken en attributen als tuinmuurtjes en goed geplaatste bloembakken ontbreken.

De neo-jarendertighuizen verhouden zich tot echte jaren-dertighuizen als een confectiepak tot een maatpak. Toch zijn ook de confectiehuizen populair: woningen in neo-jarendertigstijl zijn, zo bleek uit De waarde van stijl, een onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving uit 2014, veertien procent duurder dan vergelijkbare nieuwbouwhuizen in ‘eigentijdse’ stijlen.