Hoe kón dit in godsnaam in Rwanda gebeuren?

Interview Johan Swinnen

Tijdens de genocide in Rwanda in 1994 was Johan Swinnen daar ambassadeur van België. Hij schreef een boek over die tijd. „Rwanda gold als het Zwitserland van Afrika.”

Johan Swinnen: „Gaandeweg kwamen de haatoproepen, in het Frans en het Rwandees. Die hetze, die haat… het was vreselijk.” Foto Katrijn van Giel

Die laatste dramatische dag in Rwanda staat Johan Swinnen (70) nog messcherp voor de geest. Het was 12 april 1994, de genocide van de Hutu’s op de Tutsi’s was sinds een week volop aan de gang. Duizenden mensen waren inmiddels gedood, onder wie tien Belgische para’s. Zijn vrouw en kinderen waren al naar België geëvacueerd. Maar hij wilde per se in Kigali blijven. Totdat een Rwandees kolonel hem kwam waarschuwen. „Uw naam staat hoog op de lijst van de genocidairs.”

In de laatste uren voordat hij in de pantserwagen naar het vliegveld van Kigali zou stappen, stond hem nog één ding te doen: alle documenten verbranden, zodat er geen namen en andere gegevens in verkeerde handen konden vallen. Een voor een verdwenen de dossiers in de vlammen. Zelden gingen hoop en geloof in een goede afloop zo letterlijk in vlammen op. De herinnering aan dat moment valt Johan Swinnen nog altijd zwaar. „Ik kon alleen maar denken: ‘we hebben verloren. Het woord heeft het afgelegd tegen de machete. Zover is het nu dus gekomen’. Ik dacht aan Saigon, en wist: ‘dit is de aftocht’.”

Drieëneenhalf jaar eerder had Johan Swinnen nog vol goede moed zijn post in Kigali betrokken. Hij kende de regio, was daarvoor Belgisch ambassade-attaché geweest in buurland Burundi. „Rwanda gold als het Zwitserland van Afrika.” Veruit het rustigste van de drie voormalige Belgische kolonies in de regio (Rwanda, Burundi en Congo). „In Congo was om de haverklap gedoe en geruzie met Mobutu. Burundi had een feodaal regime waar een minderheid aan de macht was. Dat leverde spanning op. Rwanda had daarentegen een behoorlijk bestuur dat bovendien goede relaties onderhield met België.”

Al was er na zeventien jaar regeren wel merkbaar de sleet op het regime van Hutupresident Juvénal Habyarimana gekomen, wist Swinnen. De mensenrechten werden steeds vaker geschonden, in het nadeel van de Tutsi-minderheid. „Er was in toenemende mate sprake van corruptie, en de persvrijheid werd steeds meer gefnuikt.” Toch was ook Swinnen verrast toen op 1 oktober 1990 een FPR-leger – bestaande uit Tutsi-vluchtelingen – vanuit Oeganda het noordoosten van Rwanda binnenviel. De inval werd weliswaar door het regeringsleger afgeslagen, maar de onrust was vanaf oktober 1990 definitief het land binnengemarcheerd.

In zijn boek Rwanda – mijn verhaal doet Swinnen nauwgezet verslag van het diplomatieke proces dat zich de jaren daarna ontrolde, met uiteindelijk de genocide als resultaat. Hij is altijd vervuld gebleven van hoop op een goede afloop. „Rwanda werd geconfronteerd met twee majeure uitdagingen: vrede sluiten met de Tutsi-vluchtelingen, met als doel dat ze zouden kunnen reïntegreren in de Rwandese samenleving. En tezelfdertijd: democratische veranderingen doorvoeren. Die inval van het FPR-leger zette de zaak op scherp, maar maakte ook iets los. Ik bleef erin geloven omdat ik positieve ontwikkelingen zag. In juni 1991 werd er door Habyarimana’s regering en het parlement een nieuwe grondwet aangenomen. En er werden in 1993 vredesakkoorden gesloten in Arusha (Tanzania). Al hoorde je dan toch ook weer geregeld over een massamoord of een politieke moord, ergens in het land.”

Wederzijds wantrouwen

Want het wederzijdse wantrouwen tussen Hutu’s en Tutsi’s nam zienderogen toe. Swinnen herinnert zich hoe hij in een klaslokaal in een verlaten school tekeningen op het bord aantrof waarmee de verschillen in fysionomie tussen Tutsi’s en Hutu’s werden getoond. „Het verschil in gelaatstrekken en in de vorm van de neus werd grotesk benadrukt. Naar alle waarschijnlijkheid getekend door een onderwijzer die de kinderen duidelijk wilde maken: ‘wij Hutu’s worden bedreigd door de Tutsi’s, nota bene een minderheid’. Die kinderen werd op niet mis te verstane wijze racistisch gif ingegeven.”

Het kwam Swinnen niet onbekend voor. In Burundi was in 1972 een genocide geweest, maar dan uitgevoerd door Tutsi’s tegen Hutu’s. „De Hutu-minderheid in Burundi begon zich te emanciperen. Daar moest een halt aan worden toegeroepen, vonden extremistische Tutsi’s. Hutu-leerlingen werden vervolgens uit de schoolbanken van het gymnasium geplukt en weggevoerd. Want er moest voorkomen worden dat zij zouden kunnen uitgroeien tot een nieuwe Hutu-toplaag. Uiteindelijk heeft die genocide driehonderdduizend mensen het leven gekost.”

Dood en verderf

In Rwanda predikte de radiozender Radio Télévision Libre de Mille Collines sinds 1993 verbaal dood en verderf tegen de Tutsi’s. De RTLM, opgericht als tegenwicht tegen de radiozender van de FPR begon als een hip, modern radiostation, herinnert Swinnen zich. „Radio Rwanda was saai en monotoon. Dit was een levendige zender die daardoor snel populair werd. De eerste maanden was er nog weinig aan de hand. Maar gaandeweg kwamen de haatoproepen, in het Frans en het Rwandees. Die hetze, die haat… het was vreselijk.”

Hebt u nooit gedacht: “Waar ben ik aan begónnen?”

Bijna verontwaardigd: „Oh néé! Integendeel, het bedwelmt je. Je vliegt erin met alles wat je in je hebt. Je eet bijna niet, je slaapt amper. We hadden een zwembad bij ons huis. Ik heb er de eerste maanden niet één keer in gelegen. Ik was vervuld van de gedachte: ‘we moeten alles doen om deze spanningen diplomatiek te helpen oplossen’.”

Toch laat uw boek zich lezen als één lange prelude op de onvermijdelijke catastrofe. Had u dat gevoel zelf nooit toen u er middenin zat?

„Ik heb me bij het schrijven gebaseerd op alle dagboeken en codeberichten die ik in die tijd bijhield. Want ik heb daar vanaf het begin alle nachten zitten schrijven. Omdat ik voelde: hier wordt geschiedenis geschreven. In die authentieke stukken gebruik ik in het begin één keer het woord ‘genocide’. Verder niet. Wat ik wel vaak gebruikte was de term ‘tragische destabilisering’. Ik was wel steeds bevreesd voor een burgeroorlog, voor de toename van moordpartijen. Ik zag de ingrediënten: de haatradio, de implosie van het politieke centrum. Gematigde mensen werden radicaal. En ik zag de angstwekkende hoeveelheden wapens, en de milities die in de straten paradeerden. Dat waren heel verontrustende, akelige beelden. Tegelijkertijd waren wij daardoor meer dan ooit gemotiveerd om het vredesproces te redden.”

Toch heeft u over de rand van het ravijn gekeken.

„Zo voel ik dat achteraf ook. Het was ‘shaking hands with the devil’.”

Wie was die duivel dan?

„Het noodlot.”

Wat is voor u het meest indringende moment geweest in die drie, vier jaar?

„Tot 7 maart 1992 had ik nog nooit lijken gezien. Die dag zag ik in een soort mortuarium verschrikkelijk verminkte doden, met opengekliefde schedels. Liggend in een grote bloedplas, want dat bleef maar bloeden. Een verschrikkelijk beeld. Ik werd er zo opstandig van.”

Hebt u ooit gevreesd voor uw eigen leven?

Er zijn in de laatste periode hachelijke momenten geweest. Ik kwam op een avond terug van een vergadering met de Amerikaanse ambassadeur. Op een heel donkere weg kwam er een pickup naast ons rijden. Achterop zat een militair met een kalasjnikov. Hij deed ons stoppen en ging om onze auto heenlopen. Ondertussen zat ik verstijfd in mijn stoel. ‘Wat is me dat hier?’ Na een paar minuten stapte hij weer in en reed die wagen door. Geen idee wat de bedoeling was. En bij de evacuatie zat ik in een gepantserd voertuig naar het vliegveld toen er opeens hevig geschoten werd. Ik kon op dat moment niet beoordelen of we in het schootsveld lagen. In het vliegtuig deed zich ook nog iets merkwaardigs voor. De bevelvoerder werd gezegd: ‘u mag niet vertrekken als de Belgische ambassadeur in het toestel zit’. Hij ontkende dat dat zo was. Vervolgens zijn we opgestegen. Dat had ook heel verkeerd kunnen aflopen.”

Bij de genocide van 1994 vielen in honderd dagen naar schatting achthonderdduizend doden. Hebt u ooit voor mogelijk gehouden dat zoiets op deze schaal mogelijk zou zijn?

„Nee. Ik stel me tot op de dag van vandaag nog steeds de vraag: zat er een masterplan achter, een scenario om een volledige genocide op touw te zetten?”

En wat is het antwoord op die vraag?

Met een hele diepe zucht: „Ik wéét het niet. Natuurlijk, ik wist dat er dodenlijsten circuleerden. Er circuleerden vlugschriften waarin over ‘extermination’ (uitroeiing) werd gesproken. Maar of die lijsten ook bestonden in de hoofden van de machthebbers, met als doel de uitroeiing van een hele bevolkingsgroep? Dat vraag ik me af. De radicalisering ging in elk geval heel erg snel. Wat een grote rol heeft gespeeld is wat er in Burundi gebeurde op 21 oktober 1993. Op die dag werd de Burundese Hutu-president Melchior Ndadaye vermoord. Hij was enkele maanden daarvoor gekozen en symboliseerde een geslaagd democratiseringsproces. Daarop zei Habyarimana tegen mij: ‘Hoe kunt u nu nog van mij verwachten dat ik de Arushu-vredesakkoorden in Rwanda verkocht krijg?’ Maar ik weiger mee te doen met degenen die Habyarimana demoniseren. Zijn directe betrokkenheid bij de voorbereiding van de genocide staat voor mij echt niet vast. Al sprak hij wel met dubbele tong. Tegenover mij zei hij dat de vredesakkoorden eerst nog wel geëffectueerd dienden te worden. In zijn eigen taal noemde hij diezelfde akkoorden ‘een vodje papier’. Het probleem voor hem was dat hij voortdurend rekening moest houden met zijn achterban. Vooral de Hutu’s uit het Noorden waren onbuigzaam en hard.”

Had de genocide voorkomen kunnen worden?

„Dat is precies de vraag die mij al jaren achtervolgt.” Met een harde klap op tafel: „Hoe is het in gódsnaam zo ver gekomen? Hoe komt het dat zoveel Rwandezen in de val van de radicalisering zijn getrapt? Wie heeft deze genocide gewild? Ik ga ervan uit dat we nog altijd niet alle agenda’s kennen van een Machiavellistisch plan.”

Een plan van…?

„Hier stop ik.”

U vindt het moeilijk om uw gedachten uit te spreken?

„Zeker. Omdat ik geen beweringen wil doen waar ik geen harde bewijzen voor heb. Ik zou zo graag een open en eerlijk debat willen om achter de waarheid te komen. Er is nog steeds geen internationaal onderzoek geweest naar wie het vliegtuig van Habyarimana heeft neergeschoten. [Het neerschieten van het vliegtuig van Habyarimana op 6 april 1994, waarbij ook de nieuwe Burundese president Ntaryamira omkwam, werd uiteindelijk het startsein voor de genocide - red.] Rwanda en Frankrijk hebben de kwestie onderzocht. Maar er moet echt een internationaal onderzoek naar komen.”

Een van de theorieën is dat Tutsi-leider Paul Kagame (huidig president van Rwanda) verantwoordelijk zou zijn.

„Dat is een voor de hand liggende gedachte, uitgaande van de vraag: ‘Wie had er baat bij?’ Ik weet het niet, maar ik vind dat er geen enkele hypothese kan worden uitgesloten.”

Dan zou er nu dus een moordenaar president van Rwanda zijn.

„Die bewering durf ik niet voor mijn rekening te nemen. Maar we mogen geen enkele piste uitsluiten.”

Een andere theorie verdenkt Habyarimana’s eigen vrouw en schoonfamilie.

„Sterker nog: ik heb zelf ooit beweerd dat zijn schoonfamilie, bestaande uit Hutu’s van de harde lijn, een slechte invloed op hem had. Het is niet ondenkbaar dat ze vonden dat hij veel te toegeeflijk was jegens de Tutsi’s. Het zijn allemaal vermoedens waar ik als gepensioneerd ambassadeur geen antwoord op heb. Daarom zeg ik ook: doe onderzoek. Dat zijn we aan de waarheid en de geschiedenis verplicht.”

Ligt in het antwoord op de vraag naar wie het vliegtuig heeft neergehaald ook de sleutel tot wie de genocide heeft ontketend?

„Mogelijk. Die aanslag is wel het begin van de massamoord geweest.”

Wie had er belang bij de genocide?

„Wist ik het maar. Luister, één ding moge duidelijk zijn: de genocide is gepleegd door de radicale Hutu’s. Daar is geen enkele discussie over mogelijk. Maar hoe heeft het zo ver kunnen komen? Echt, ik ril ervan. Ik zag de haat en de onwil overigens bij beide partijen.”

Als we niet weten hoe en door wie de genocide is ontstaan, betekent dat dan ook dat het morgen weer kan gebeuren?

„Ik ben bang dat u daar gelijk in heeft. Het is zeer de vraag hoe duurzaam de stabiliteit in Rwanda is. Ik ben daar ongerust over. Niet alleen over Rwanda, maar ook over Burundi en Congo. Ook daar is de situatie zeer fragiel. Er zijn in de regio nog steeds grote problemen met naleving van de mensenrechten. Dan kan een genocide helaas weer plaatsvinden. Daarom is het van groot belang dat de landen rondom de Grote Meren samenwerking met elkaar zoeken. Ze kunnen elkaar helpen op het gebied van bijvoorbeeld energiewinning en toerisme. Europa zou hier enorm bij kunnen assisteren door een Europees Marshall-plan te lanceren. Afrika lijkt ver weg, maar dat is een misverstand. Afrika is onze naaste buur. Het is ook in ons eigen belang om te helpen. Afrika heeft enorme economische troeven in handen.”

Speelt Rwanda voor u nog steeds een rol in uw hoofd?

„Zeker. Wij zijn er hier thuis nog lang niet over uitgepraat. Hoe vaak Rwanda niet voorbijkomt in onze conversatie… Ik merk wel dat het opschrijven van mijn verhaal heeft geholpen met het ordenen van mijn gedachten. Al blijft er een onaf gevoel knagen. De echte geschiedenis van die jaren moet nog steeds geschreven worden.”