Recensie

Het dankfeest van de alhierheid

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Waarom spreken niet meer Turkse en Marokkaanse Nederlanders zich in het openbaar uit tegen moslimterrorisme en andere aanvallen op de open samenleving, vraagt journalist en bekroond documentairemaakster Fidan Ekiz (1976) zich af. In Hoe lang nog zwijgen [1], het essay voor de Maand van de geschiedenis met als thema Grenzen, geeft ze dit antwoord: „Je wilt niet meewerken aan een nog negatievere beeldvorming over moslims/buitenlanders. De vuile was hang je niet buiten. Toch moet iedereen het lef hebben dat wél te doen. Het getuigt juist van kracht als je de taboes in de eigen gemeenschap bespreekbaar durft te maken en de confrontatie met de traditie niet schuwt.”

Ekiz’ even moedige als eloquente betoog is een moreel appèl aan iedereen om het gepolariseerde debat over migratie, nationalisme, racisme, islam(ofobie), en discriminatie te verruilen voor het zoeken naar oplossingen. Want hoe zal de geschiedenis oordelen als door volgende generaties wordt gevraagd: ‘wat heb jij gedaan toen honderdduizenden mensen stierven aan de buitengrenzen?’

„Mocht Hillary Clinton de ‘seksismekaart’ spelen, dan is de boot volgens het team van Trump aan. Het is de vraag of ze die kaart zelf hoeft te trekken. Zijn er vrouwen die in een gevecht met Hillary Clinton op Trump zullen stemmen? Ja, die zijn er. Maar in een stevige battle of the sexes zullen de meeste vrouwen zich achter Clinton opstellen.” Dit schrijft oud Amerika-correspondent en voormalig vrijwilligster in Clintons campagneteam Margriet van der Linden in haar vlak voor ‘Pussygate’ verschenen boek Team Hillary [2]. De oud hoofdredacteur van Opzij weet zeker dat male chauvinist pig Donald Trump het niet gaat redden. „Hillary Clinton wordt in 2016 gekozen als president van Amerika, punt. Tegelijk met de weerstand en haat, die er altijd zijn geweest, is de liefde voor Hillary Clinton groter en breder dan ooit”, beweert ze. Trump gelooft daar helemaal niets van, getuige zijn door Van der Linden geciteerde tweet over de Democratische presidentskandidaat: „If Hillary Clinton can’t satisfy her husband what makes her think she can satisfy America?”

De (tijds)duur is in het Gedicht aan de duur [3] van de Oostenrijkse auteur Peter Handke geen meetbaar verloop van tijd, maar een gevoel, het vluchtigste van alle gevoelens, een nauwelijks grijpbare ervaring, een wonder. Misschien is het de uitdaging hier woorden voor te vinden die dichter Huub Beurskens ertoe heeft gebracht het gedicht van Handke, uit 1986, alsnog te vertalen. „Wil me afvragen met een gedicht,/ me herinneren met een gedicht,/ beweren en bewaren met een gedicht/ wat de duur is.” ‘Duur’ is dus iets anders dan zomaar een herinnering, zoals bijvoorbeeld aan een zeilvakantie voor de Turkse kust, uitvoerig door Handke beschreven (maar inmiddels niet echt een zalig toonbeeld). „De duur brengt niet in vervoering,/ hij brengt me in orde.” De ervaring van de duur is gebonden aan enkele specifieke plaatsen die Handke beschrijft, de Griffener See bij zijn geboorteplaats Griffen, de Porte d’ Auteuil in Parijs en de Fontainse Sainte-Marie in een Parijse voorstad. Daar viert hij ‘het dankfeest van de alhierheid’ (in de Duitse tekst: Hiesigkeit), en dat betekent iets anders dan ergens thuishoren. Maar wat dan wel? ‘Wie nooit de duur ervoer/ heeft niet geleefd.’

Simon Carmiggelt (1913-1987) had familieleden – „maar dit is alleen voor de volwassen kijkers” – die een poesje bezaten dat het hield met een hond. „Ik voeg erbij dat ze een beetje kippig is, niet om de affaire zoölogisch nog ernstiger te verknopen, maar alleen omdat dit tekort haar misschien enigszins disculpeert.” Wie zo’n zin leest, moet wel tot de conclusie komen dat de tand des tijds ook aan het werk van de bewierookte Kronkel heeft geknaagd. Van Carmiggelt verschijnt de ene herdruk na de andere en uit de herdrukken worden weer nieuwe bundels samengesteld. Twee honden en een kat [4] bevat een keuze uit een poezenbundel, (1995) en een hondenbundel (1997). Maar de talloze chroniqueurs des dagelijksen levens die hem navolgen met inlichtingen over hun buurvrouw, geliefde, huisdier, kinderen, en vooral gesprekken bij Albert Heijn, blijven schatplichtig aan de man die kon beschrijven hoe een kat kijkt. Katten kijken ‘met geveinsde onwilligheid’, de kat ging in de hoek van de kamer ‘ranzig zitten nadenken’, de kat zat ‘een beetje muf naar binnen te kijken’, katten die ‘met grote, verbijsterde ogen over het raadsel liggen tobben’.