Opinie

Helaas, uw liefde is zelden belangeloos

Opinie Als een oude, eenzame man wil sterven, is het dan barmhartig om te zeggen: hier is een pil? „Ik denk soms van wel, maar die gedachte bevalt me nooit echt”, schrijft Marjoleine de Vos.

De Barmhartige Samaritaan van Aimé Morot (1850-1931)

Er is die hond, van Tomas en Tereza, in Kundera’s The unbearable lightness of being. Karenin heet hij. Hij wordt geliefd, Tereza houdt van hem op een manier waarop ze niet in staat is, omdat ze nu eenmaal ook maar een mens is, om van een ander wezen dan van deze hond te houden: zonder vragen, zonder eisen. Zoals de hond ook van haar. Ze hoeven er alleen maar te zijn om elkaars liefde te laten stromen, ze vallen niet tegen, ze hoeven niet te veranderen.

Karenin wordt oud, hij wordt ziek, een tumor, hij krijgt die pijnlijke poot, hij kan niet meer lopen, hij - Tomas en Tereza weten wat ze moeten doen. Ze hoeven alleen nog maar te bepalen „vanaf welk moment zijn leven het niet meer waard was om geleefd te worden”.

De ochtend van wat de laatste dag zal blijken, komt Tereza de kamer in. Karenin kan niet meer opstaan, hij kan nog wel zijn kop optillen en naar haar kijken zoals niemand ooit meer naar haar zou kijken, alsof hij de waarheid van haar zou vernemen. En alles wat van haar kwam was de waarheid. Ze zet chocolaatjes bij hem neer en een bakje water. Hij heft zijn kop niet meer op. Ze gaat naast hem liggen en omhelst hem. Hij likt haar wang. „Ze keerde hem haar andere wang toe om gelikt te worden.”

Een paar uur later doen ze het. Doodmaken. Zo innig als ze maar kunnen.

Ik kan het niet lezen zonder diep ontroerd te raken. Dat, wat Tereza en Tomas doen, dat is barmhartigheid denk ik. Het is liefde. Barmhartigheid moet een vorm van liefde zijn.

Waarom kom ik nu met een hond op de proppen? Ik heb niet eens een hond. En waarom ontroeren die laatste hoofdstukken van The unbearable lightness of being me elke keer zo, vanaf de eerste keer dat ik ze las?

Omdat, het antwoord is eigenlijk heel eenvoudig, ze zo ondubbelzinnig over belangeloze liefde gaan. En dat is de enige vorm van liefde die barmhartigheid mogelijk maakt.

Barmhartigheid. Net alsof het een begrip is waar je voortdurend over nadenkt. Maar nu minister Schippers dat woord in de mond heeft genomen, dat we oude mensen toe moeten staan te sterven als ze niet meer willen leven, om ‘barmhartigheid’ te tonen, nu ga je je vanzelf afvragen wat het betekent.

Eerst komt natuurlijk de vraag wat het betekent dat oude mensen niet meer willen leven. Je zou wel heel graag willen dat degenen van wie je houdt, wél willen leven. Ik zou het diep verschrikkelijk vinden als mijn moeder niet meer wilde leven. Zo maar. Niet omdat ze, zoals de hond Karenin, te ziek zou zijn, te kapot, te op – zo’n moment kan komen en dan, nu ja. Dan kan het een zegen zijn dat de kelk niet tot de bodem geleegd hoeft te worden.

Je zou willen dat degenen van wie je houdt, altijd voelen dat hun leven de moeite waard is. Jij houdt immers van ze! Maar iets in die wens klopt niet. Het belangeloze element ontbreekt nogal. Want jij en die liefde van je, die leiden mooi hun eigen leven. Ergens anders dan waar zij, de geliefden, zijn. Af en toe kom je eens kijken, geregeld is dat komen kijken zelfs schriftelijk – ,,Dag lieve X, even een berichtje om te zeggen dat ik aan je denk” – en dan hoop je maar dat het ze verder goed gaat. Dat ze niet te eenzaam zijn. Dat ze het een beetje redden, zo door de dag.

De hond Karenin wist wel dat de baasjes ’s avonds weer thuis kwamen. Die wist dat hij ’s ochtends met een broodje in zijn bek van de bakker naar huis ging lopen. Dat alles voor altijd was, geborgen, zeker.

Wij met onze mensendingen, wij die beter van een hond kunnen houden dan van een mens, wij zwaaien weglopend naar de zeer ouden achter de ramen en roepen: dag lieverds!

Als er al überhaupt iemand is om dat te doen.

Ik denk vaak aan de kinderloze 90-jarige meneer die ik op de televisie zag. Zijn vrouw was dement geworden en gestorven. Toen ze er nog was, toen kon hij in ieder geval nog haar hand vasthouden zei hij, hij kon haar gezicht nog zien. Maar nu was er niets meer. Al twee jaar lang niet. „Die enorme eenzaamheid, dat is niet voor te stellen, je kunt de mensen niet vertellen hoe eenzaam het is.” Hij deed zijn best, heus. Hij ging wel eens met een vriend mee bowlen, hij zocht wel eens gezelschap op. Maar het gaf allemaal niets. En hij was al zo oud. „,Waarom mag ik niet sterven?” vroeg hij.

Zou het nu heel barmhartig zijn om te zeggen: Ga je gang? Hier is een stervensbegeleider met een pil?

Ik moet eerlijk zeggen dat ik soms wel eens denk van wel. Maar dat die gedachte me nooit echt bevalt.

Laatst schreef een lezer naar deze krant dat zulke mensen geen pil nodig hebben maar een omhelzing. Ik stel me die meneer weer voor en een vreemde vrouw die hem hulpverlenerig komt omhelzen. Hu!

Onlangs sprak ik een oude dame, 85 was ze, die fier verkondigde: als je eenzaam bent, ligt dat aan je zelf. Zij was niet eenzaam. Zij ging erop uit, knoopte een praatje aan, legde contact!

Ik zou zelf niet gauw naar een kerstdiner voor eenzame buurtgenoten gaan.

„Zonder eenzaamheid zou ik eenzamer zijn”, schreef de dichteres Marianne Moore, „dus houd ik haar.” Dat is, schrijft de Amerikaanse dichter Christian Wiman die haar citeert in zijn boek Mijn heldere afgrond, nu juist het probleem, dat we op een bepaalde manier verslaafd raken aan onze eigen angsten: „Pijn kent haar genoegens.” Dus misschien had die montere 85-jarige wel gelijk, moeten de mensen de wereld in gaan, hoe oud, eenzaam, uitgeput ze ook zijn.

Maar dan zeg je in feite ook: los het zelf maar op met die problemen van je. Is dat dan het enige antwoord dat we hebben?

Ja, nu ga ik gauw ‘we’ schrijven. Uit angst voor wat ik zelf denk, uit het besef van tekortschieten waarschijnlijk, want wat doe je, wat doe ik, voor degenen die eenzaam zijn en van wie ik zeg te houden? Als zo iemand niet in mijn leven ‘past’? Je moeder, daar kun je over denken, (hoewel niet iedereens moeder in de buurt kan komen wonen of omgekeerd, en bovendien: niet alle moeders en alle iederenen verdragen elkaar) maar je lieve vriend, je ratelende vriendin, degene die je wel graag mag als hij maar niet zo zou zeuren, zou stinken, vies zou eten – wat dacht je zoal met of voor diegene te doen?

Dood dan maar? Hopen dan maar dat die zelf zou zeggen: „Ik heb er geen zin meer in” en dat je zowel bedroefd als opgelucht en je schamend voor die opluchting, zou zeggen: „Wat ellendig dat je er zo over denkt maar er is een mogelijkheid”?

En hoe denken degenen die het betreft er zelf over. In hun heart of hearts. Ik heb het ze heus wel horen zeggen, oude mensen, dat ze er niets meer aan vonden. Maar is dat dan een constant gevoel?

Huib Drion, degene die dit hele gesprek al in 1991 aan de gang heeft gebracht, was werkelijk allerminst onredelijk of hysterisch toen hij vroeg om een middel dat oude mensen in staat zou stellen zelf het leven te beëindigen als ze niet meer wilden.

Hij dacht daarbij niet aan zoiets als ‘barmhartigheid’. Hij dacht eerder aan zelfbeschikking, aan hoe te voorkomen dat een oud mens in een naargeestig tehuis terecht zou komen en daar, aangewezen op de zorg van anderen zijn laatste dagen moest slijten. Verlies van waardigheid, daar dacht hij aan. Verlies van alles wat het leven de moeite waard maakte. En wie denkt aan de geur van doodgekookte groenten, oude mensen en weinig zuurstof, aan het kauwen met de kunstgebitten, het zanikende praten van mensen die je nooit in je buurt had willen hebben maar nu moet verdragen, een luier om krijgen, het verpleegstersmeervoud („we gaan mórgen onder de douche”), die kan niet anders dan hem begrijpen. Dat nóóit.

Ik was een poosje geleden in een bijna opgeheven bejaardentehuis, dat het met particulier initiatief weer ging redden, niet zozeer als tehuis maar als een plek waar mensen kunnen wonen en ook zorg kunnen krijgen. Er zaten een paar vastberaden oude mannen die hadden geweigerd te vertrekken toen de zorgverlener zich terugtrok, die nu graag zelf wilden koken, die gezelschap zochten en vonden, die nu de mogelijkheid kregen om zelf te bedenken wat ze eigenlijk verlangden.

Dat kan ook. Tehuizen hebben nogal eens de afschrikwekkende gewoonte om te zeggen: dit bieden wij en u past u maar aan. Ze vragen niet: „Wat wilt u eigenlijk.” Dan is het antwoord misschien wat minder snel: „Liever dood dan in uw tehuis.”

Oké, karikaturaal. Al gebruikte Drion dat argument plus het argument van de hoge kosten, zelf wel: „Waarom zouden [oude mensen] het dan niet in eigen hand mogen hebben om zichzelf op een aanvaardbare wijze een dergelijk – ook de gemeenschap zo zwaar belastend – levenseinde te besparen?”

In haar roman Winter in Gloster Huis schreef Vonne van der Meer: „Wie vaak genoeg hoort dat hij deel uitmaakt van een plaag, gaat dromen van zijn eigen einde.” Zij is ervan overtuigd dat al dat praten over de hoge zorgkosten voor ouderen, het praten over ‘een grijze tsunami’, de dure en tegelijkertijd onderbetaalde verpleeghuizen met hun afschrikwekkende taferelen, de mensen ingeven om alles op alles te zetten om daar uit weg te blijven.

Ze gelooft alleen niet dat het barmhartige antwoord is: hier heb je een pil.