Die kat, dat was een beginnersfoutje

Hoe word je wie je bent? Kunstenares TINKEBELL, die bekend werd met een handtas van poezenbont, publiceert komende week haar derde boek. Ook dat boek is weer autobiografisch: haar leven en werk vallen samen.

©

De handtas

Achteraf noemt ze het een beginnersfoutje. Voor de handtas die ze maakte van een kat, het kunstproject dat haar twaalf jaar geleden tegelijk beroemd en berucht maakte, doodde ze haar eigen, zieke poes. Maar, vindt Katinka Simonse nu, ze had een gezonde kat dood moeten maken. „Het was het project van een student: goed geprobeerd, maar net niet scherp genoeg. Leren producten worden gemaakt van gezonde dieren, want dan is de vacht nog mooi. Dat is de norm, dus die had ik moeten laten zien. Dat zou ik nu beter doen.”

De poezen

Pinkeltje, heette de poes, ze was drie jaar oud en depressief. Katinka Simonse wilde haar „uit haar lijden halen”, zoals ze het zei tegen haar twee jaar jongere zus, Marjon. En dat wilde ze „zelf doen”. Maar voordat ze dat deed belde ze die zus, om te overleggen. Niet middenin de nacht, wat ook wel eens gebeurde, maar gewoon overdag: „Dit is het idee, wat vind jij?”

Marjon Huijbregsen vond het meteen een goed plan. „Ja, natuurlijk vond ik dat. Kijk, als je poes niet meer doorkan en er moet iets gebeuren, dan kun je naar de dierenarts gaan. Die maakt die poes dan dood en daarna wordt het lijfje vernietigd. Dat is toch hard en wreed? Wat zij wilde was het idee van een dierenvriend: het zelf doen en dan iets moois maken, iets dat blijft en ook nog functioneel is: een handtas.”

Pinkeltje is niet de enige dode poes in het huis van Katinka Simonse. Ook Gatootje, de poes die haar ouders in huis namen nog voordat zij werd geboren, en die wel een natuurlijke dood stierf, heeft er een plek gevonden. De urn belandde bij haar, toen haar ouders er bij hun scheiding niet uit kwamen wie van beiden de poeze-as mocht hebben. Marjon: „We waren allemaal dol op die poes, ook al omdat ze door een oogontsteking haar rechteroog miste.”

Dierenvriend: niet iedereen die Tinkebell de afgelopen jaren haatmails stuurde, Kamervragen stelde over haar kunstprojecten of aangifte deed van dierenmishandeling, zal die associatie hebben. Haar zus wel. „Achter ons huis was een weiland, daar struinden we altijd rond. En dan redden we dieren: muizen, vogeltjes. Trok ik weer de werkhandschoenen van mijn vader aan, om een egeltje op te pakken waar iets mee aan de hand was.”

De vader (1)

Katinka trok die werkhandschoenen niet aan: haar vader ging ze zoveel mogelijk uit de weg, de laatste jaren heeft ze helemaal geen contact meer met hem. Wie zegt dat „veel van wat ze doet met haar jeugd te maken heeft” ( Hans de Wit, een van haar kunstdocenten in Tilburg), geeft ze gelijk. Katinka Simonse: „Al mijn slechte eigenschappen heb ik van mijn vader. Als kind bijvoorbeeld, was ik net zo egoïstisch en egocentrisch als hij. Dat had ik al door toen ik een jaar of zeven, acht was, en zag dat als er allemaal taartjes op een schaal lagen, waarvan er eentje de lekkerste was, hij precies dat taartje zo demonstratief mogelijk pakte – om te laten zien dat hij daar recht op had. Een agressieve aandachttrekker, was hij, en ik had dat ook in me. Toen ik me dat realiseerde ben ik het gaan bevechten. Ik spreek mezelf nog dagelijks aan op mogelijk egoïstisch gedrag.”

Haar vader sloeg haar ook. Met een herinnering daaraan begon in 2013 haar tweede boek De Duitsers zijn uitgeschakeld, volgende week verschijnt Waarschuwing, de schrijver van dit boek is een kunstenaar. Ook dat boek is weer autobiografisch: bij Tinkebell, haar alter ego als kunstenaar, vallen leven en werk samen. Om wat zij ziet als onrecht te bestrijden, leidt ze haar leven alsof het een kunstproject is.

De sterilisatie

Hans de Wit besefte „die dubbelheid” meteen weer, zegt hij, toen Katinka hem een paar jaar geleden belde om te vragen wat hij ervan vond als ze zichzelf bij wijze van kunstproject zou laten steriliseren. Dan kon ze laten zien dat als de mensheid zo doorgaat, er straks te weinig voedsel zal zijn om de bevolkingsgroei bij te houden. De Wit: „Je weet dan al dat ze het toch gaat doen: ze is volledig consistent in haar projecten en dit paste er perfect in. Maar je ziet ook de dubbelheid, dat iemand oprecht is als persoon en tegelijk als kunstenaar de aandacht zoekt. En dan twijfel je toch even: is dit nou een zuivere beslissing, of heeft ze een prachtige manier gevonden om een statement te maken. Ze had al gezegd dat ze geen kinderen wilde, ze was bang dat ze als ouder op haar vader zou gaan lijken.”

De vader (2)

Dubbelheid is een woord dat Marjon, haar zus, niet zou gebruiken. Wel: „Ze beleefde het bij ons thuis anders dan ik, zeg maar.” Marjon werd niet geslagen („ik heb die ervaring niet zo”) en ze herinnert zich maar één zo’n voorval: „Katinka liet haar schoenen altijd slingeren in de gang, in plaats van ze onder de kapstok te zetten. Het was een smal gangetje, je kon er zo over struikelen. Op een dag had onze vader daar zo genoeg van, dat hij de huiskamer binnenkwam met die schoenen in de hand en ze naar haar toe gooide: pats, in haar gezicht. Dus dat gaf een bloeduitstorting. Op school zei ze toen: kijk, dat heeft mijn vader gedaan.” Katinka en haar vader lagen elkaar niet, zegt Marjon, „ze zijn allebei even dwars en opvliegend, dat botste”.

En dat botste vooral, zegt Katinka Simonse, als haar vader en zij samen waren: „Ik kreeg klappen als de anderen het niet zagen. En dan zei hij dat ik dom was en er nooit wat van me terecht zou komen.”

De erfenis

Het hardde haar, vindt ze nu. En het maakte dat ze zich wilde bewijzen: „Bij ons ging verder niemand studeren. Ik wel.” Onzeker werd ze er niet van, zelfs niet als puber. Elfi Voermans en Katinka Simonse waren 17 toen ze elkaar leerden kennen in Boxtel. Elfi woonde er, Katinka was op kamers gegaan. Ze ontmoetten elkaar op dansles, en herkenden in elkaar het buitenbeentje. Elfi Voermans: „Ik hoorde er niet echt bij in het dorp, ik zag er anders uit en ook op school voelde ik me niet thuis. Dat gold voor haar ook, maar zij was veel zekerder van zichzelf. En ze probeerde mij ook meer zelfvertrouwen te geven. ‘Kom, we maken een model van je’, zei ze dan, en dan nam ze foto’s van me op het balkonnetje van haar kamer. Ze was ook altijd opgewekt. Dat is ze nog steeds: een positieve denker. Dat is denk ik ook hoe ze het volhoudt.”

Kunstdocent Hans de Wit ziet vooral kracht, „potentie”, noemt hij het: „Ze wil iets veroorzaken – en dan krijg je klappen. Ik heb wel eens gedacht: kan ze het allemaal aan. Maar ik geloof van wel.”

Katinka Simonse: „Mensen zien maar een klein deel van mij, dus al die kritiek raakt mij niet zo. Dat zou je sterk kunnen noemen. En je zou kunnen zeggen dat ik dat ben geworden door mijn vader. Nou, dan heb ik toch nog iets positiefs aan hem overgehouden.”