Opinie

Denk na witte schrijver, over het zwarte personage dat je opvoert

Minderheden leggen zich niet meer neer bij het beeld dat anderen van hen schetsen, stelt Karin Amatmoekrim. „Is het nodig de karikatuur van de zwarte wildeling opnieuw leven in te blazen?”

© Getty Images

Afgelopen week waren Abdelkader Benali en ik uitgenodigd om het verschijnsel van cultural appropriation, culturele toe-eigening, toe te lichten op een middelbare school in Helmond. Aanleiding was de lezing van Lionel Shriver, auteur van onder meer We need to talk about Kevin, op het Brisbane Writers Festival. Daar verdedigde ze het recht van de blanke schrijver om gekleurde personages op te voeren.

Ongeveer gelijktijdig met ons optreden verscheen er een interview met mij in deze krant, waarin ik stelde dat het vanzelfsprekend is dat literaire recensies door boekredacteuren worden geschreven, behalve als je een gekleurde schrijver bent – dan wordt er nogal eens een journalist op gezet die eerder thuis is in de culturele achtergrond van de schrijver dan dat hij verstand heeft van literatuur. De reacties op zowel schoolbezoek als het standpunt dat ik in het interview verkondigde waren niet mals. Waarom ligt het zo gevoelig het probleem van onderscheid in onze samenleving aan te kaarten?

Wat ik uit de reacties op ons schoolbezoek kon abstraheren, was een nauw verholen angst dat ‘ze ons komen vertellen wat we moeten doen’ (mijn persoonlijke favoriet: „Als mijn kinderen op die school hadden gezeten, had ik ze thuisgehouden”) en een sterk verlangen naar de onschuldige tijd van vóór dit type maatschappijkritiek, toen de Nederlander in zijn eigen land nog kon doen en laten wat hij wilde. Dat is natuurlijk ook de kern van het debat over culturele toe-eigening, wanneer de blanke nietsvermoedend een gekleurd personage opvoert, en daarvoor veroordeeld wordt.

De overtuiging van het soevereine individu, dat een sterk ontwikkeld moreel kompas heeft en dus niet verteld hoeft te worden wat er aan hem mankeert, leeft breed en in alle lagen van onze samenleving; zowel binnen de ordinaire Twittergelederen als bij de hoogopgeleide, progressieve en weldenkende meerderheid. Het is echter een mind fuck van epische omvang om te denken dat de mondige minderheid problemen in het leven roept die er niet zijn. Ze doet niets anders dan wijzen op ongelijkheden die altijd al hebben bestaan.

Culturele toe-eigening gaat over de verantwoordelijkheid van de schrijver om te kunnen gaan met het gewicht van de cultuur die hij/zij beschrijft. Belangrijker nog gaat het over de blinde vlek voor die gevoeligheden, voor de geschiedenis, voor de verschillen in machtspositie tussen een kleurling en een blanke. Toen Shriver in haar roman The Mandibles een zwarte vrouw opvoerde, deed ze dat niet zonder reden. Haar aanwezigheid in het verhaal moest aantonen hoe „gekleurde arm candy goed op [Douglas] zou afstralen”.

opiauteur Amatmoekrim Karin

Kleur is hier, zonder dat Shriver het zelf goed in de gaten heeft, politiek; een statement van de progressieve blanke man – die uiteindelijk ook gestraft wordt voor zijn interetnische dwaling. Zijn nieuwe zwarte vriendin blijkt dement en hij voert haar uiteindelijk incontinent, verward en gedesoriënteerd aan een hondenriem door de straten van New York. De blanke vrouw die hij verliet, runt sterk en stabiel van geest een stichting voor dementieonderzoek. „In the end”, schrijft Shriver, „the joke is on Douglas”.

Doodgewone liefde van een witte man voor een zwarte vrouw is schijnbaar niet mogelijk. Wit voert zwart op als statement, in een rolverdeling die historisch ongelijkwaardig is en die een traditie kent van het vernederen van zwarte lichamen, en reageert vervolgens verontwaardigd als de problematiek van een dergelijk beeld wordt aangekaart. De schrijver vermag immers alles, anders is het de dood aan de verbeelding!

Het mooie is dat het er bijna niet toe doet aan welke kant van de discussie we ons bevinden; het gesprek over in hoeverre de schrijver vrij is in zijn werk, legt structuren bloot waarvan een deel van onze samenleving zich altijd bewust is geweest, en een ander deel even zolang onbewust, en die erop gericht zijn het universeel menselijke af te meten aan dat wat blank is. Ik dacht daar laatst aan bij een foto van een reclamebordje in een Amerikaanse taxi; vier lieve kindjes, allemaal met een andere huidskleur. Eronder stond de stichtelijke tekst (oorspronkelijk in het Engels): „We zijn allemaal gelijk. Of je nu zwart, bruin, geel of normaal bent.”

Wit is geen huidskleur, wit is normaal. Wie kan erkennen dat dit een overtuiging is die diep in westerse culturen verankerd zit, beseft dat de benadering van een gekleurd personage door een witte schrijver altijd gevaarlijk is. Het hangt niet alleen af van het talent van de auteur, maar ook hoe zijn of haar blik op de wereld is gevormd, en in hoeverre hij gevoelig is voor heersende machtsverschillen.

Zo heb ik met plezier De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése gelezen, maar had ik ook moeite met de manier waarop Afrikaanse ‘inlanders’ werden afgebeeld; als onbetrouwbare oplichters dan wel woeste inboorlingen. Ja, ik begreep dat de ervaring van een burgerlijk echtpaar in een onbekend land werd uitvergroot. Maar bestaat de karikatuur van de zwarte wildeling niet al ten overvloede in onze samenleving? En is het dan nodig om die weer eens leven in te blazen? Het stond mijn leeservaring niet in de weg – daarvoor is Thomése een te goede schrijver, en daarvoor hecht ik te veel aan de vrijheid van ons vak – maar het deed me wel pijn, omdat ik me geconfronteerd voelde met de zoveelste eendimensionale weergave van de kleurling.

Die pijn is ook onderdeel van de ervaring die ik wel, en iemand anders misschien niet heeft. Het debat over culturele toe-eigening stelt de complexe dynamiek van cultuur aan de kaak. Lionel Shriver vindt dat ze de vrijheid heeft om „de ene keer die pet, en de andere keer een andere” op te zetten. In theorie heeft ze volkomen gelijk. Maar in werkelijkheid heeft niemand de vrijheid om van pet te verwisselen, en komt elke pet met een andere connotatie.

Het maakt vaak niet uit welke pet ik zelf in mijn literaire werk opzet, elke pet wordt toch weer verbonden aan mijn afkomst. Terwijl elke schrijver weet dat alleen het werk telt; daarin verdwijnen we, daarin schuilt onze identiteit. Wat daarbuiten is, doet niet mee.

Toch moet ík steeds opnieuw mijn werk duiden, en geduid zien worden, langs etnische lijnen. Dat is een beperking van mijn vrijheid als schrijver. En dat te benoemen, betekent niet dat ík obsessief nadenk over waarin ik verschil van de ander, noch dat ik er overgevoelig voor ben. Het legt de dwangmatigheid bloot van onze samenleving om kleur en afkomst centraal te stellen, zelfs in de vermeende universalistische traditie van de literatuurkritiek.

Het rumoer rondom dit soort discussies bewijst dat we op een punt zijn aangekomen dat minderheden zich niet zonder meer neerleggen bij het beeld dat door anderen van hen geschetst wordt. Machtsstructuren veranderen, langzaam maar zeker. Dat schept angst en verwarring, maar is bovenal iets om verheugd over te zijn. De kleurling is meer dan het beeld dat de dominante cultuur van hem heeft. Hij is niet de karikatuur van Zwarte Piet, niet een figurant die definitie moet geven aan de nuances in het karakter van een wit romanpersonage, en niet de schrijver wier werk je niet volledig kan begrijpen zonder haar etnische achtergrond mee te wegen.

Zoals wit zichzelf als normaal beschouwt, zo zien bruin, geel en zwart zichzelf ook; als de menselijke norm die niet gereduceerd wil worden tot een karikatuur, of een bijrol, of een afkomst.