Recensie

Vertrokken wegens de stadsworst

Reportage Mohawks in Brooklyn

Halverwege de 20ste eeuw woonden er 500 Mohawks in Brooklyn – de Sure Footed Indian was een held in de wolkenkrabberbouw. Joseph Mitchell vereeuwigde ze schitterend, maar wat is er nu nog te vinden?

Een Mohawk-gezin in Prospect Park, Brooklyn, New York in de jaren veertig Foto uit het boek van Reaghan Tarbell

Hier moet destijds The Wigwam Bar geweest zijn, met het legendarische bord ‘Great Ironworkers Passed Through This Door’. Nu staat er een witstenen gebouw op 75 Nevins St. in Brooklyn, beheerd door Casandra Beauty Inc., ‘Professional Hair Care and Weave Specialist’. Van Wigwams, Mohawks of staalarbeiders weet men er niets. Om de hoek flitsen gehelmde kinderen op hippe stepjes over de stoep van Atlantic Avenue, langs stenenwinkels, koffiebarretjes met snelle wifi, huisdierencrèches en een banketbakkerij van hysterische extravagantie.

Boerum Hill, zoals de buurt nu heet, heeft weinig meer weg van de ‘oude, slaperige, sjofele wijk’ North Gowanus die journalist Joseph Mitchell (1908-1996) eind jaren veertig op een van zijn vele stadswandelingen aantrof. Hij schreef er een van zijn legendarische reportages over, ‘The Mohawks in High Steel’, die nu is opgenomen in McSorleys wonderbaarlijke saloon, een van de twee Mitchell-vertalingen die deze week verschijnen.

In het stuk beschrijft hij de gemeenschap van ongeveer vijfhonderd Caughnawaga-indianen, die in de wijk was neergestreken. Hij observeerde: ‘Ze wonen in de beste huizen in de beste straten. In de regel zijn Caughnawaga-vrouwen goede huisvrouwen en houden ze hun appartementen op z’n Nederlands schoon. De meesten versieren een schoorsteenmantel of muur met erfstukken die ze uit het reservaat hebben meegenomen – een trommel, een paar ratels, een masker, een cradleboard.’ Zelfs de kleinste Italiaanse kruideniers verkochten er het maismeel (Quaker White Enriched and Degerminated) dat werd gebruikt voor het maken van ka-na-ta-rok, gekookt indianenbrood. En in de kleine presbyteriaanse kerk van dominee David Cory (tevens amateurworstelaar, socialist en is vice-voorzitter van de koudwaterzwemmers van de Iceberg Athletic Club) werd gezongen in het Mohawk. De dominee had zichzelf de taal geleerd om zijn nieuwe buurtgenoten ter wille te zijn.

Hoogtevrees

Het verhaal van Little Caughnawaga begint met de mythe van de Sure Footed Indian. In de archieven van een Canadees brugbouwbedrijf dat als een van de eersten Mohawks inhuurden, trof Mitchell een enthousiast verslag aan: ‘Naarmate de bouw vorderde, werd het alle betrokkenen duidelijk dat deze indianen heel vreemd waren, in die zin dat ze geen enkele hoogtevrees kenden [...] Die indianen waren zo behendig als geiten. Dan liepen ze daar over smalle balken, hoog in de lucht, met alleen de rivier onder hen, die daar onstuimig is en akelig om op neer te kijken, en dat deerde hen niet meer dan wanneer ze op vaste bodem liepen.’ De faam van de indiaanse staalarbeiders verspreidde zich en in de grote steden was er veel werk aan hoge bruggen en wolkenkrabbers. Omdat het werk verdeeld werd bij de International Association of Bridge, Structural and Ornamental Iron Workers, vestigden veel arbeiders zich in de buurt van het vakbondsgebouw in Brooklyn. Mitchell noemt er een stuk of twintig gebouwen waar veel indiaanse arbeiders werkten, waaronder het Empire State Building, de George Washington Bridge, de Triborough Bridge, en het Waldorf-Astoria hotel. Overigens is volgens wetenschapper Brian Rice, kleinzoon van een arbeider uit Little Caughnawaga, de mythe van de Sure Footed Indian flauwekul en hebben indianen even vaak hoogtevrees als ieder ander. Wel wijst hij trots op de beroemde foto ‘Lunch On Top of a Skyscraper’ (in 1932 gemaakt door Charles Clyde Ebbets), waar elf arbeiders hun bammetjes eten op een tientallen meters boven de aarde zwevende stalen balk. Daarop is een van zijn oudooms te zien.

Praten deden de Mohawks in Brooklyn niet graag. Joseph Mitchell zocht lang voor hij er een vond ‘die de reputatie heeft babbelziek te zijn’. Deze Orvis Diabo (indianennaam O-ron-ia-ke-te is, oftewel ‘Hij die de hemel draagt’) vertelt groots over zijn werk. ‘Ik heb miljoenen klinknagels verhit. Als ze het hebben over de mannen die dit land hebben opgebouwd, dan ben ik een van de mannen die ze bedoelen.’ Mitchell laat de ‘babbelzieke’ Diabo leeglopen vertellen over het leven van de staalwerker – het is al bijna een roman: ‘Als hij in New York werkt, rijdt hij er in de weekenden naar toe [naar het reservaat], en dat is een rit van twaalf uur. Na een tijdje trouwt hij, haalt zijn vrouw naar de stad en sticht hij een gezin, en daarna gaat-ie niet meer zo vaak terug. O, waarschijnlijk gaat hij er ’s zomers wel met zijn vrouw en kinderen naar toe, maar hij blijft er zelf niet. Na een dag of drie, vier gaat het reservaat hem op z’n zenuwen werken, en dan smeert-ie ’m terug naar de States. [...] De jaren verstrijken. Hij wordt zo oud als ik, misschien een tikje ouder, misschien wat jonger, en op een mooie ochtend komt hij tot de conclusie dat zijn gewrichten te verdomde stijf zijn om op honderdvijftig meter hoogte over een kale balk te lopen [...] Hij geeft het werk in het hoge staal op en pakt zijn boeltje bij elkaar, hij haalt zijn geld van zijn spaarrekening, het beetje dat-ie opzij heeft weten te zetten, en dan gaat-ie voorgoed terug naar het reservaat.’

Dat hebben ze uiteindelijk allemaal gedaan. Mitchell schreef het al: ‘Sommige zijn net zo rusteloos als zigeuners. Het is niet ongebruikelijk dat een gezin zijn huis afsluit, de sleutel bij de buren achterlaat, in een automobiel stapt en voor jaren vertrekt.’ Mitchell schreef vaker over zigeuners, zie de reportages ‘Koning der zigeuners’ en ‘De zigeunervrouwen’, óók in McSorleys.

Smerige worst

Intussen is er in Boerum Hill helemaal niets meer wat aan de Mohawks herinnert. Geen Wigwam Bar, geen vakbondsgebouw – en de kerk van David Corey is al decennia een appartementencomplex. Nazaten van de gemeenschap als Brian Rice en Reaghan Tarbell (maker van de documentaire Little Caughnawaga: To Brooklyn and Back) kennen niemand meer in de buurt. Bij de Brooklyn Historical Society wordt met grote verbaasde ogen gereageerd op indianenvragen.

Je zou haast gaan denken dat Joseph Mitchell zijn indianenverhaal uit de duim heeft gezogen. Tot een medewerker van de kolossale Brooklyn Public Library een klein mapje tevoorschijnt tovert met oude krantenknipsels, een academische studie uit 1983 en een boek van dominee David Cory zelf: de Mohawks hebben echt bestaan.

Al tien jaar vóór Mitchell wijdden lokale kranten verwonderde artikelen aan de indianen. Later drukten tijdschriften schitterende foto’s af van indianen bij een nep-kampvuur in Cory’s kerk, waarin een gloeilamp gloeide. Bijschrift: ‘To Oblige ‘Those Who Want Us to Look Like Indians’ City Mohawks Put On Feathers’.

De academische studie staat vol getuigenverslagen, waarin méér dan bij Mitchell aan de orde komt dat de Mohawks in Brooklyn misschien toch niet zo zorgeloos leefden als je zou denken. Op huishoudelijk niveau, zoals het verhaal van de vrouw die maar niet kon wennen aan de stadsworst: ‘Je had worsten die, als je ze bakte, gewoon helemaal uit elkaar vielen. Het was een rotzooi, water met drijvende stukken plastic erin. Het kostte twee dollar per pond en ik heb het gewoon weggegooid, het was zo smerig. Zoals daar de worsten werden gemaakt, zei ik: It’s about time I move out of here.

Ernstiger is het verhaal van de Mohawk-vrouwen die een taxi naar huis in Brooklyn namen en gewaarschuwd werden door de chauffeur: ‘Pas maar op in die buurt, het zit daar vol indianen.’ Of het nu de worst was die de Mohawks uit Brooklyn verdreef, de rusteloosheid die Mitchell beschrijft of het racisme van de taxichauffeur (en ongetwijfeld nogal wat anderen), er is wel heel veel verdwenen. Waarbij dan voor de schitterende reportages van Joseph Mitchell geldt dat die hele wereld, al dan niet met behulp van een mapje uit de bibliotheek, er weer levensecht uit oprijst. Misschien moeten we alle stukken uit die twee dikke boeken de komende tijd rustig nawandelen, als de Sure Footed Indians van de eenentwintigste eeuw.