Column

Niets geks

©

Mijn bejaarde moeder uit Velp duikt wel eens op in deze column, tot voor kort merkte ze daar niets van. Uitzondering was de keer dat ze op een verjaardagsfeest ongewild in de belangstelling kwam te staan omdat een buurvrouw zei dat ze had gelezen dat haar mixer van Philips stuk was.

„Dat stond in de krant.”

Ze belde me erover op.

„Ik kan wel huilen, nu weet heel Nederland dat mijn mixer stuk is!”

Sindsdien koopt ze zo nu en dan deze krant bij de Esso. De verkoper daar belt haar daarover op. „U staat weer in de krant hoor, ik heb hem apart gehouden.”

Ze was in de regel niet trots op mijn werkstukjes.

„Je moet ook een keer over de niet gekke dingen schrijven…”

Dinsdag logeerde ik bij haar omdat ik in de buurt moest zijn. Het samenzijn was voor de verandering zonder spanningen en ergernissen verlopen, maar ’s morgens miste ik mijn spijkerbroek.

„O”, zei ze, terwijl ze me een kop thee in schonk. „Die heb ik weggegooid. Er zat een gat in.”

Uitleggen dat het gat ter hoogte van de knie er al in zat toen ik de broek kocht had geen enkele zin. Woedend op haar worden had nog minder zin, maar ik deed het voor de zekerheid toch. „En nu?”, riep ik. „Ik moet zo weg. Moet ik dan in mijn onderbroek de trein in?”

Ze zag zichzelf al weer in de krant staan en had meteen grote spijt. In de ochtendjas van mijn overleden vader zat ik even later naast haar in haar autootje waarmee we richting Winkelcentrum Velperbroek scheurden. Ze hoopte dat ik de broek nog uit de kledingcontainer tegenover de COOP kon vissen.

Het moet een vreemd gezicht zijn geweest, hoe ik me op haar aanwijzingen in een te kleine ochtendjas in die container probeerde te hijsen.

„Zie je ‘m? Nee?”

Ik wilde gaan, maar dat was buiten haar gerekend. Ze hield een passerende scholier staande.

„Zou jij ons willen helpen?”, vroeg ze. „Kun jij proberen in die container te kruipen? Ik heb per ongeluk zijn broek weggegooid.”

De jongen bekeek me van kop tot teen en vatte de situatie in één woord samen: „Humor.”

De broek kwam niet meer uit de kledingcontainer, ze kocht op mijn aanwijzingen een nieuwe broek op de Hoofdstraat. Terug in Amsterdam belde ze me verschillende keren op.

„Eind goed al goed toch? Er is toch niets geks gebeurd?”