Heisa over het Hitlerhuis: slopen of niet?

Moet het geboortehuis van Hitler worden gesloopt? Omwonenden in het Oostenrijkse Braunau am Inn willen het liever niet over die beladen vraag hebben. „Aan de geschiedenis verander je niets. Die moet je niet verstoppen.”

Foto Reuters

Voor het geboortehuis van Adolf Hitler in het Oostenrijkse stadje Braunau am Inn staan twee gepensioneerden met regenjassen aan. De een heet Martin en heeft een beige pet op. De ander, Heinrich, draagt een beige regenhoed. Het giet. Maar Martin en Heinrich wilden hier vandaag toch even komen kijken.

De Oostenrijkse minister van Binnenlandse Zaken Wolfgang Sobotka kondigde afgelopen maandag aan dat dit gele Biedermeierhuis met zwarte schimmelvlekken, op Salzburger Vorstadt nummer 15, waar Hitler op 20 april 1889 werd geboren, wordt gesloopt. Op dinsdag zwakte de minister dat besluit weer af.

„Heinrich en ik hebben gewed”, legt Martin uit. „Hij zei dat er vanwege dat politieke gedoe over het Hitlerhuis een hoop volk zou komen. Hitlertoeristen, bijvoorbeeld. Ik dacht dat het wel mee zou vallen.” En, wie heeft er gelijk gekregen? „Der Martin!” grinnikt Heinrich.

„Inderdaad, geen kip te zien. Kom, we gaan. De parkeermeter loopt af.”

Zo gaan velen in Braunau am Inn, een stadje met 16.000 inwoners aan de grens met Duitsland, om met de heisa over het geboortehuis van Hitler: nogal laconiek. Het getouwtrek duurt al jaren. Het stadsbestuur komt er niet uit, de regering in het verre Wenen al helemaal niet.

De laatste episode is bijna een slapstick, die in veler ogen bevestigt dat deze regeringscoalitie van socialisten en conservatieven na zeventig jaar zijn tijd heeft gehad. De conservatieve minister Sobotka baseerde zijn sloopbesluit op een rapport van dertien ‘wijzen’ die de situatie maanden hebben bestudeerd.

Maar Sobotka had de sloop nog niet afgekondigd, of de wijzen spraken hem een voor een tegen. Een van hen is de burgemeester van Braunau, Hannes Waidbacher: „In onze aanbeveling staat niets over slopen.” Het rapport beveelt juist aan om het huis te laten staan en „een ander gezicht te geven”. Huisvest er een liefdadigheidsinstelling, zeggen de wijzen. Of een ambtelijke instelling.

Foto AFP

Foto AFP

Extreemrechtse activisten

Klara Hitler baarde Adolf, haar derde kind, op de tweede verdieping waar zij en haar man, een grensbeambte, kamers huurden. Drie maanden later verhuisde het gezin naar een ander adres in Braunau; nog drie jaar later vertrokken ze naar het Duitse Passau. In 1912 kocht een zekere familie Pommer het pand. Ze begonnen een café op de begane grond. In de jaren dertig kwamen extreemrechtse activisten daar vaak samen. In 1938 kocht Martin Bormann, een vertrouweling van Hitler, het gebouw en maakte er een nationaal-socialistisch ‘cultuurcentrum’ van. Zijn initialen, MB, staan nog op de gevel.

Toen Hitler in 1938 Oostenrijk annexeerde, ging hij de brug over de rivier de Inn bij Braunau over, rechtdoor naar zijn geboortehuis. Aan het einde van de oorlog probeerde een Duits nazicommando het huis op te blazen. Maar de Amerikaanse bevrijders waren eerder, en verhinderden het. In Braunau verzucht menigeen:

„Hadden ze dat verdomde huis toen maar opgeblazen, dan waren we ervan af geweest.”

In 1952 kreeg de familie Pommer, die intussen claimde een slachtoffer van de nazi’s te zijn, het huis terug. Daarna zaten er onder meer een drukkerij, een bank en een centrum voor gehandicapten in. Vijf jaar geleden vertrok dat centrum, omdat eigenares Gerlinde Pommer weigerde moderne faciliteiten te installeren die de wet vereiste. Sindsdien staat het gebouw leeg.

De staat, die sinds 1972 hoofdhuurder is om te voorkomen dat er ‘verkeerde’ huurders in het pand komen, betaalt Pommer nog altijd maandelijks 4800 euro huur. De verstandhouding tussen Frau Pommer en het ministerie is slecht. De minister wil nu een oplossing forceren door haar te onteigenen. „Dat lukt hem nooit”, roept iemand in een belendend café. „Het Hitlerhuis is een beschermd monument. Dat kun je niet zomaar afbreken.” Hij geeft zijn naam niet. Teveel tv-microfoons gezien in Braunau.

Wat gebeurde er met de geboortehuizen van andere Europese dictators?

Eerste slachtoffer van de nazi’s

Hitler heeft hier maar drie maanden gewoond. Maar als het woord ‘Hitler’ klinkt, gaat Oostenrijk vaak nog in een kramp. Duitsland is direct in 1945 begonnen met het verwerken van de oorlog. Oostenrijk, zeggen ze weleens, moet daar nog mee beginnen. Velen hebben de Anschluss in 1938 verwelkomd, en toch portretteert het land zichzelf als ‘eerste slachtoffer van de nazi’s’. De vorige president, Heinz Fischer, zei dat in 2015 nog, tijdens een officiële plechtigheid met de Duitse president Gauck – waarop Gauck hem, uitzonderlijk, corrigeerde.

Foto AP

Foto AP

In Braunau worden oorlogsherdenkingen georganiseerd - maar tegelijkertijd zijn hier, zoals overal in Oostenrijk, nog steeds straten vernoemd naar mensen met een donkerbruin verleden. In de plaatselijke boekhandel ligt een confronterend boek over deze streek, die bekendstaat als de ‘broedplaats van Hitler’, naast een boek met oral history van Branauers over die periode, die nauwelijks reppen van collaboratie. Het is deze ambivalentie die het geruzie om het Hitlerhuis zo politiek maakt. Het blijft ongemakkelijk voor iedereen.

Gedoe om niks

Bij de buren van het Hitlerhuis - een fournituren- en wolwinkel, een modezaak, een Weinstube - maakt men er liefst weinig woorden vuil over het Hitlerhuis. Overal in dit oude stadje hoor je: ‘Wat een gedoe om niks, laat ons met rust’. De minister wilde het Hitlerhuis slopen omdat er teveel neonazi’s zouden komen. Omwonenden zeggen dat hier juist mínder neonazi’s komen dan vroeger. Volgens Ingo Engel van de stadsvereniging Braunau zijn Hitler en de oorlog deel van ieders geschiedenis. „Dat wis je toch niet uit door dit huis te slopen?” Christine Baccili van het toeristische bureau, en buurvrouw van het gewraakte huis, vindt dat ook.

„Aan de geschiedenis verander je niets. Die moet je niet verstoppen.”

Braunau heeft voor het Hitlerhuis een gedenksteen geplaatst, ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het fascisme. De steen komt uit het voormalige concentratiekamp Mauthausen, niet ver hiervandaan. De stad organiseert hier elk jaar een kleine plechtigheid. „Dat trekt meer volk aan dan we hier neonazi’s krijgen”, zegt de man in het café. Hij wil zijn naam niet geven, maar zijn favoriete anekdote wel. Hij heeft hem al aan veel mensen verteld, zegt hij, maar vooruit.

„Laatst had een vriend van mij toch een toerist te pakken! Een Japanner, die met zijn rug naar het huis stond en vroeg: ‘Waar is het Hitlerhuis?’ ‘Daar’, zei mijn vriend, en wees onder de oude stadspoort door naar de brug in de verte. Dus die Japanner liep de stad uit, de brug over, Duitsland in. We hebben hem niet meer teruggezien.”