Recensie

Een tweeling tussen vijanden

Auke Hulst

Zijn nieuwe boek, ‘En ik herinner me Titus Broederland’, is een geslaagde mix van genres: psychologische roman, road novel en apocalyptische scifi. Zo creëert Hulst een eigen mythische wereld, met een vreemde, eigen taal.

Dust Bowl in Dallas, South Dakota, mei 1936

‘Brae doi doi brae/ naëz ma iloné/ naëz aldé.’
‘Broer, dwaze broer/ vergeet mij niet/ niet nog een keer.’

Titus en zijn broer hebben een geheimtaal, zoals tweelingen die hebben. Maar slechts één van de twee kent nog de taal. Wat ging er mis? Waarom is een eeneiige tweeling nooit identiek? Om een individu te worden, moet je de verschillen met de ander benadrukken. En je krijgt een rol: de leider, de volger. Of misschien beleeft ieder mens het leven hoe dan ook altijd anders, ook al word je met zijn tweeën geboren.

In zijn vijfde roman En ik herinner me Titus Broederland beschrijft Auke Hulst (1975) een tweeling die opgroeit in een bos, met een afwezige vader die ze opvoedt met verboden literatuur en verboden bluesplaten. Ze leven afgezonderd van een vijandige omgeving tot een ramp ze die gevaarlijke wereld indrijft. Daarin rekenen religieuze boeren gewelddadig af met alles wat afwijkt: tweelingen zijn Duivelskinderen, profane muziek is duivelsmuziek, andere boeken dan ‘De Edicten’ komen ook van de duivel.

De zachte broer, die het verhaal vertelt, kijkt naar zijn harde broer Titus en begrijpt hem niet. Waarom is Titus zo bitter en kwaad? Waarom ervaart de ene tweelingbroer zijn jeugd als het paradijs, en ziet de ander het hele bestaan als een smerig gevecht?

Langzaam verandert het boek in een apocalyptische western, die doet denken aan Amerikaanse strips, series en films als The Book of Eli. In het landschap verschijnt een enorm ‘zinkgat’, dat alles verzwelgt. De dreiging van de groeiende afgrond veroorzaakt een anarchie, waarin bendes losgeslagen boeren rondtrekken en uit naam van de Heer iedereen lynchen die enigszins afwijkt.

Dit is Kaïn in ballingschap. Behalve dat deze Kaïn zijn broer Abel niet heeft doodgeslagen, maar hem meeneemt op zijn tocht door de woestenij. Kleurrijke figuren fleuren het kale landschap op: het meisje met de sproeten, de blonde blueszangeres Tashenka, de homoseksuele eunuch met zijn indrukwekkende platencollectie, de haatzaaiende predikant die niet kan lezen, de dolende dichter die praat als een boek: ‘Ik nam modderbaden met de varkens en declameerde onder appreciërend geknor uit volle borst mijn gedichten.’

Fladderak en bokkeblaadjes

In de strijd om te overleven wordt de broederband op de proef gesteld. De zachte broer spiegelt zich aan de harde broer (‘Wij zijn misschien zwervers, maar we zijn verdomme geen zwervers.’) en beseft dat de hardheid van de ander, hem in staat stelt om zijn zachte zelfbeeld te handhaven. Ondertussen probeert hij erachter te komen waarom zijn broer ooit van hem is losgescheurd.

En ik herinner me Titus Broederland is Americana in romanvorm. De wereld in dit Nederlandse boek heeft niets met Nederland te maken en alles met Texas of daaromtrent, begin vorige eeuw. Blues en folkmuziek spelen een belangrijke rol. Ook de winning van ‘aardbloed’ (olie), de rondzwervende ‘kofferknechten (hobo’s), de bekrompen bible belt, en de trek naar het Westen zijn allemaal vintage Americana. Alleen racisme speelt geen rol. In deze wereld is iedereen blank. Of de kleur blijft onvermeld.

Hulst (Hoogezand-Sappemeer, 1975), schrijft met Titus Broederland een onvergelijkbaar boek, los van de Nederlandse traditie en ook los van zijn eerdere werk. Toch kun je wel sporen van zijn andere boeken en van zijn biografie terugvinden.

Behalve schrijver is Hulst ook journalist. Hij schrijft onder meer boekrecensies voor NRC. In 2006 debuteerde hij als schrijver met de liefdesroman Jij en ik en alles daartussenin. Dat boek heeft hij onlangs opnieuw uitgebracht, aangevuld met verhalen en een autobiografische inleiding.

Hulst groeide op in het Oost-Groningse dorp Denemarken. In het landschap van Titus Broederland tref je sporen van die Groningse wortels. Dat het delven van aardbloed de bodem onrustig maakt, is niet vreemd voor een schrijver die werd geboren op de gasbel van Slochteren. De boeren drinken het Groningse ‘fladderak’ (sterke drank) en lezen ‘bokkeblaadjes’ (huis-aan-huisbladen), een verwijzing naar Hulsts jonggestorven vader, de Groningse journalist Ton Hulst, die onder meer het Slochterse Bokkeblad uitgaf.

Na zijn vaders dood werden Hulst en de andere kinderen min of meer aan hun lot overgelaten. In Trouw omschreef hij zijn moeder als een ‘amalgaam van Annemarie Jorritsma en Ramses Shaffy’; een politiek actieve bohemienne die haar kinderen verwaarloosde. Die jeugd heeft hij verwerkt in zijn meest succesrijke roman Kinderen van het Ruige Land (2012). Ook deze nieuwe roman gaat over half verweesde, ontwortelde kinderen in een bos.

illustratie Paul van der Steen

illustratie Paul van der Steen

Desolaat dystopia

De jonge Hulst vluchtte in sciencefiction-romans. In de traditie van zijn held Kurt Vonnegut mengt hij sciencefiction en andere pulpgenres door zijn eigen romans – vergelijkbaar met hoe tv-series tegenwoordig vrijmoedig met de genres omspringen. Zelf gebruikt hij de Amerikaanse term voor deze non-realistische mengvorm: slipstream fiction.

Titus Broederland is ook zo’n mix: psychologische roman, road novel, sciencefiction of fantasy. De wereld lijkt op de bestaande wereld, met het zinkgat en de anarchie als surreële elementen.

Na sciencefiction verdiepte Hulst zich in de Amerikaanse literatuur, en ook dat zie je terug in zijn werk. De wegen van Amerika verkende hij eerder in zijn reisboek De eenzame snelweg (2007). Een desolaat dystopia schetste hij eerder in Slaap zacht, Johnny Idaho (2015).

Bluesteksten, John Steinbeck, de doemliederen van Dylan; Hulst gebruikt weliswaar Amerikaanse ingrediënten, maar hij vermijdt zorgvuldig openlijke verwijzingen, zodat hij zijn eigen mythische wereld kan scheppen, met een vreemde, eigen taal. Titus Broederland is een beetje te lang (zoals Amerikaanse romans dat vaak zijn), maar het lef om zo ver van de Nederlandse literaire traditie af te dwalen verdient lof. En de naargeestige eindtijdsfeer met surrealistische tinten, gevangen in poëtische taal, blijft lang hangen.