Recensie

Een trots schemerbeest

De wolf

Sinds de oudheid zit de angst voor de wolf er goed in. Een biologische studie laat geen facet van het dier onbesproken. Inmiddels is het de icoon van de nieuwe wildernis.

Vormen wolven een bedreiging, komen ze straks in roedels de grens met Duitsland over om onze schapen en kinderen te roven? Moeten we hekken gaan plaatsen? Als het aan schrijver Dik van der Meulen (1963) ligt zijn wolven niet gevaarlijker dan al het andere dat de mens naar het leven staat. Op bladzijde 322 van zijn net verschenen boek De kinderen van de nacht geeft hij een even intrigerende als curieuze opsomming van dat wat ‘wereldwijd oneindig meer leed veroorzaakt dan wolven’. Het zijn vooral ‘huishonden’ die voor veel ongerief zorgen, net als ‘infecties, virussen, moord en doodslag, oorlog, overstromingen of droogtes’ en wat ook voor veel leed zorgt zijn de ‘WK-finale, burengerucht, commerciële televisiezenders.’ Enzovoort.

Huishonden komen er in Van der Meulens boek bekaaid vanaf: wolven, dat zijn de échte dieren, wild en ongetemd. In hun ogen flonkert een geheimzinnige, gele schitter. Ze huilen bij nacht. Van der Meulen spotte zijn eerste wolf (Canis lupus) bij Yellowstone Park, Noord-Amerika. Hiermee begint zijn boek: ‘Het lopen’. Dit motief zal vaker terugkomen: de soepele bewegingen en het moeiteloze ritme, alsof ze dansen. Hiermee kunnen wolven honderden kilometers overbruggen. Hoe lenig huishonden zich ook bewegen, vergeleken met wolven zijn ze ‘zwoegers’, aldus de auteur.

Biologische studie

Dit wolvenboek is biologische studie en cultuurhistorische verhandeling ineen; het biedt antropologische perspectieven als het gaat om de moeizame verhouding tussen mens en wild dier door de eeuwen heen. Bovendien is het een persoonlijke zoektocht naar de wolf. Bij wijze van proloog beschrijft Van der Meulen dat hij als kind naar Peter en de wolf luisterde, het muzieksprookje van Sergej Prokofjev. Donker gestemde hoorns verbeelden het huilen van de wolf.

Het dier is zozeer uit onze contreien verdwenen, dat hij een soort fabel is geworden, maar in evolutionair opzicht is hij ook de voorvader van de hond: wereldwijd lopen er ‘een paar honderd miljoen gedomesticeerde wolven rond’, aldus Van der Meulen. ‘Maar wie denkt bij pekinezen, middenslag-schnauzers of poedels nog aan hun voorhistorische stamouders?’

Peter en de wolf legt het fundament voor het hele boek. Roodkapje komt in vele variaties voorbij, verleidelijke vrouwen zijn vermomd als wolf. Met de auteur reizen we mee naar de Efteling met zijn sprookjeswolven en naar hedendaagse wolfers, wolvenliefhebbers, onder wie de bekende pianiste Hélène Grimaud die zich ontfermt over de bejaagde wolf en een wolvenranch runt bij New York.

Van der Meulen geeft een strak stramien aan zijn boek. Elk historisch hoofdstuk, zoals over graaf Dracula en zijn wolvenliefde, of de wolvenjacht tijdens de Middeleeuwen in de Zuidelijke Nederlanden, opent met een bezoek aan de bewuste plekken. Van daaruit graaft hij diep in het verleden. De hoofdstukken over angst voor wolven en de bestrijding ervan zijn bloedstollend, zó gehaat is het dier. Wolfskuilen, drijfjachten op de wolf zoals de Engelse vossenjacht en vele andere wrede methoden om het dier uit te roeien hebben van hem een nachtdier gemaakt, een schemerbeest dat zich trots en ongenaakbaar ver van de mens houdt.

Winkelcentrum

Maar daarin is een kentering gekomen. Meer dan honderdvijftig jaar geleden is de laatste wolf in Nederland doodgeschoten en nu maakt hij zijn glorieuze rentree, zoals tal van natuurbeschermers hopen. Als de wolf terug is, dan heeft Nederland zijn eigen wildlife. ‘De angst voor wolven, ergens in de oudheid ontstaan en tot bloei gekomen in de Middeleeuwen, is nooit helemaal verdwenen’, schrijft Van der Meulen. Juist dat ontzag doet het verlangen naar de wolf ontvlammen. Wildbeheerders in Yellowstone Park hebben ontdekt dat waar de wolf verschijnt, de natuur er met sprongen op vooruitgaat in veelzijdigheid, ofwel biodiversiteit. Een voorbeeld uit de vele: prooidieren als reeën en herten zullen, door de aanwezigheid van wolven, steeds rustelozer worden en zich verspreiden. Hierdoor wordt overbegrazing tegengegaan. Een vergelijkbaar voordeel zou zich voordoen als er wolven ingezet worden in de Amsterdamse Waterleidingduinen om de overlast door damherten tegen te gaan. Wolven als natuurbeheerders, dan zijn er geen jagers nodig. Van der Meulen analyseert ook haarscherp de berichten rondom wolven, waaronder zeer vermakelijke. Mensen zien wat fors uitgevallen honden, die zich in het duister voortbewegen, graag voor wolven aan.

Nederland wil de wolf terug. Het Roodkapje-syndroom of de angst voor de wolf is geluwd. Wolven zijn de icoon van de nieuwe wildernis, van de robuuste natuur. Van der Meulen laat zich ook verleiden tot een tocht naar Noordoost-Groningen in maart 2009, waar een wolf is gesignaleerd. De politie is uitgerukt met een karavaan wolventoeristen en -kenners in het kielzog. Er zijn zelfs meldingen van een wolf die doodgemoedereerd een winkelcentrum bij Hoogezand binnenwandelt. Maar ze vinden het dier niet.

Waar begint fantasie en eindigt werkelijkheid? Van der Meulen zal als eerste erkennen dat wolven zich het liefst ver van de mensen houden die de wolf willen omarmen, knuffelen zelfs. Alsof mensen verwantschap voelen met dit vreemde dier dat tot eeuwenlang tot griezelen uitnodigde. Maar vanaf nu niet meer.