Drie vragen

Vrijwel wekelijks krijg ik vragen en suggesties van lezers. „Misschien kun je daar in WoordHoek aandacht aan besteden.” Omdat de actualiteit voorrang krijgt, blijven die vragen soms even liggen, maar hier drie vragen en twee antwoorden.

Vraag: „De laatste tijd hoor en lees je dat uitreizigers of potentiële uitreizigers een bedreiging zijn voor onze nationale veiligheid. Is uitreiziger een nieuw woord?”

In kranten wordt uitreiziger sinds 2012 gebruikt. Het komt uit kringen van de AIVD en werd indertijd gebruikt voor mensen die vanuit Nederland naar landen als Afghanistan en Somalië reisden om er deel te nemen aan de „jihadistische strijd”, zoals de AIVD het omschreef. In een rapport meldde de veiligheidsdienst „meerdere pogingen van Nederlandse uitreizigers” te hebben verstoord.

De Dikke Van Dale kent uitreiziger sinds 2016 in twee betekenissen waarvan de definities volgens mij enige aanscherping behoeven. Het zou een eufemisme zijn voor ‘jihadist’ en het zou worden gebruikt voor een ‘burger die zijn woonland uit reist om zich in een ander land te vestigen’.

Volgens mij heet dat laatste een emigrant en kun je ook jihadist zijn in eigen land. De uitreiziger vertrekt niet naar een willekeurig land om er te gaan wonen, maar naar een islamitische brandhaard om er te gaan vechten. Wel wordt uitreiziger eufemistisch gebruikt, maar eerder voor ‘potentiële terrorist’. Wij vrezen niet zozeer het vertrek maar vooral de terugkeer van de uitreiziger, want het idee is dat een in de strijd geharde en getrainde jihadist in Europa aanslagen zou kunnen plegen.

Helemaal nieuw is uitreiziger niet. Vluchtelingen die na de Hongaarse Opstand van 1956 naar Nederland kwamen, werden heel soms uitreizigers genoemd. In 1957 besloot Zoltan Molnar, een populaire voetballer bij een Delftse club, terug naar Hongarije te gaan. Dat werd hem ontraden omdat „het onmogelijk is de Hongaarse grens als uitreiziger opnieuw te passeren”, zoals een krant meldde.

Vraag twee: „Waarom zijn vermoedens soms donkerbruin?”

We zeggen dit bij een sterk vermoeden van iets ongunstigs. Donkerbruin betekent hier dus zoiets als ‘met duidelijke lijnen getekend’. Volgens sommige naslagwerken gaat de uitdrukking terug op de zegswijze het ziet er bruin uit, voor: het ziet er zorgwekkend uit. Zeker is dat de uitdrukking tamelijk jong is: ik vond het eerste donkerbruine vermoeden pas in 1971. Inmiddels zijn er veel kleurvarianten opgedoken: niet alleen donkerrood, donkerpaars en donkergrijs, maar bijvoorbeeld ook lichtbruin en lichtblauw (voor een zwak vermoeden).

Vraag drie: „In ons studentenhuis zeggen wij: ik zweet me het honoloepi. Misschien moet het homo lupi zijn, een persoon behaard als een wolf. Is dit een bestaande uitdrukking?”

Helaas, ik weet het antwoord niet. Als er inderdaad een verband is met de Latijnse uitdrukking Homo homini lupus (‘de mens is een wolf voor zijn medemens’), dan zal je het honoloepi zweten hoogstwaarschijnlijk in de studententaal zijn ontstaan.

Een vergelijkbaar geval is kwibus, dat al in de late Middeleeuwen in de studententaal is ontstaan. Kwibus is waarschijnlijk een verkorting van het pseudo-Latijnse quoquibus (‘onwetende’), een woord dat het gebrabbel nabootst van iemand die het Latijn niet goed beheerst. Mochten lezers een betere verklaring voor je het honoloepi zweten hebben, dan hoor ik die graag.

Ewoud Sanders schrijft wekelijks over taal. Reacties: post@ewoudsanders.nl