Recensie

De indianen redden het zelf wel

Indianen

Twee auteurs peilen het leven van Native Americans in de VS. De een schreef een weemoedig ‘oudere jongensboek’, de ander laat zien hoe indianen zich in stand hebben gehouden. Vooral dat laatste boek is bijzonder en broodnodig.

President Barack Obama bij de traditionele viering van ‘Cannon Ball Flag Day’ van de Foto Reuters/Larry Downing

Wie spreekt er nu nog van ‘de indianen’, terwijl hij alleen de Sioux bedoelt? We weten toch zo langzamerhand wel dat de krijgshaftige bizonjagers zoals die werden verbeeld in kinderboeken, strips en films, niet representatief waren voor ‘de’ Native Americans. Hun nomadische bestaan op de Great Plains was niet zozeer ‘authentiek’ maar eerder een gevolg van het oprukken van Europese kolonisten en handelaren; de meeste ‘indianen’ leefden van oudsher in dorpen en steden.

Karl van den Broeck (1966), oud-chef cultuur van de Vlaamse krant De Morgen en ex-hoofdredacteur van Knack, trekt zich daar niets van aan en neemt de lezer in Waarom ik de indianen wil redden mee op een onbeschroomd persoonlijke ontdekkingstocht naar ‘mijn geliefde Sioux’. Hij doet dat in het voetspoor van Pieter-Jan De Smet (‘Grote Zwartrok’), een Belgische pater die er in de negentiende eeuw op uit trok om de arme inboorlingen de blijde boodschap te brengen.

De Smet (1801-1873) engageerde zich volledig; hij leefde en predikte onder de Sioux en bestudeerde hun taal. In Amerika is hij inmiddels een omstreden figuur: een standbeeld van hem in St. Louis werd vorig jaar verwijderd van de universiteitscampus als symbool van racisme en kolonialisme (een ‘dwaas besluit’, vindt Van den Broeck). Het ‘kruis’ in de ondertitel van het boek slaat op een crucifix dat De Smet ooit aan Sioux-hoofdman Sitting Bull gaf en dat Van den Broeck hoopt te vinden in het museum van het Little Big Horn-slagveld in de staat Montana.

Maar de ironische titel van dit hybride boek, de goed bedoelende blanke man als white saviour van de indianen, slaat ook op Van den Broeck zelf. Hij vervlecht zijn speurtocht naar De Smet met autobiografische notities over zijn fascinatie voor de Native Americans, die een beetje hoort bij zijn progressieve generatie, die van net na Watergate, Viëtnam en de bezetting van het gehucht Wounded Knee, waar in 1890 het laatste verzet van de Sioux in een bloedbad werd gesmoord.

Kenmerkend genoeg komen de ‘geliefde Sioux’ zelf in dit boek nauwelijks aan het woord, en dat beseft Van den Broeck ook wel: het gaat over De Smet maar ook hém en zijn preoccupatie of zelfs schuldgevoel. Op het troosteloze Pine Ridge-reservaat vraagt hij zich af: ‘Ben ik hier de zoveelste ramptoerist die zich vergaapt aan de radeloosheid van deze mensen?’ En hij concludeert: ‘Misschien was ik helemaal niet bezig de indianen te redden. Misschien was ik vooral bezig mezelf te redden.’ Op de terugweg stelt zijn vrouw de hamvraag: had hij een indiaan willen zijn? Nee, zegt hij, want ‘ik zou niet willen dat de indianen zich over mij moesten schamen.’ White guilt, ook dat nog.

De lezer die zulke typische indianenromantiek voor lief neemt, houdt een origineel en lezenswaardig ‘oudere jongensboek’ over, een persoonlijke relaas over een langdurige Vlaams-indiaanse jeugdliefde, dat vooral herkenbaar zal zijn voor progressieve generatiegenoten.

Voorbij cliché’s

Maar wie een feitelijk en contemporain overzicht zoekt van inheems Amerika, kan veel beter terecht bij het gloednieuwe Blood and Land van J.C.H. King. De Engelsman King, oud-conservator antropologie van het British Museum, geeft een genuanceerd, thematisch overzicht van de stand van zaken in de VS en Canada, met een accent op culturele sectoren. Dat stemt niet somber of sentimenteel, integendeel, rode draad in Kings boek is de opmerkelijke renaissance van inheems Amerika vanaf de jaren zestig.

Om te beginnen demografisch. Na de massale sterfte in de achttiende en negentiende eeuw door ziektes, geweld en ontheemding (soms een indiaanse ‘holocaust’ genoemd), heeft de inheemse bevolking zich numeriek hersteld. Bijna twee miljoen Amerikanen vallen nu onder de regels van het Bureau voor Indiaanse Zaken, dat de relaties met erkende stammen, of ‘naties’, beheert. Het totale aantal Native Americans in de VS is nu bijna zes miljoen – volgens schattingen vergelijkbaar met de inheemse bevolking van Noord-Amerika omstreeks 1500.

Lees ook: Mohawks in Brooklyn - Halverwege de 20ste eeuw woonden er 500 Mohawks in Brooklyn – de Sure Footed Indian was een held in de wolkenkrabberbouw. Joseph Mitchell vereeuwigde ze schitterend, maar wat is er nu nog te vinden?

Aan de huidige telling wordt overigens getwijfeld door witte belangengroepen die het aantal laag willen houden en wijzen op het bestaan van opportunistische ‘nep-indianen’ (inheemse naties, die eigen regels hanteren voor lidmaatschap, kunnen aanlokkelijk zijn voor buitenstaanders door hun inkomsten uit casino’s of federale subsidies). Maar dan nog, alle bitterzoete noties van een ‘verdwijnend volk’ zijn misplaatst gebleken.

Ook op andere terreinen is inheems Amerika succesvoller dan de clichés doen vermoeden; King wijst op de fortuinen die sommige stammen hebben vergaard uit toerisme en casino’s. Maar hij houdt een open oog voor de nog altijd zwaar achtergestelde positie van indianen, door racisme en verwoestende sociale problemen. Ook cultureel is niet alles hosanna: indiaanse kunst is populair, maar hun talen verdwijnen in hoog tempo. Al noteert King ook terloops dat het alcoholgebruik momenteel onder het landelijk gemiddelde blijft (het binge drinken niet).

King besteedt ook aandacht aan een thema dat in Europa vaak onderbelicht blijft: de complexe juridische relatie van inheemse groepen met de staten en de federale overheid, die nog steeds geldt als hun ‘voogd’. Ze zijn immers ‘binnenlandse afhankelijke naties’, zoals het Hooggerechtshof al in 1831 paradoxaal vaststelde: autonoom en toch weer niet.

Dat juridische labyrint is nog altijd het decor voor hardnekkige conflicten over land, visserij-rechten en de exploitatie van natuurlijke grondstoffen.

Washington

Juist de regering van de in ongenade gevallen Richard Nixon (1968-1974) krijgt van King waardering voor haar vooruitstrevende aanpak. Die behelsde een versterking van het zelfbestuur van indiaanse naties en een breuk met de gehate politiek van ‘terminatie’, het streven naar de formele beëindiging van hun speciale relatie met Washington en de jure opheffing van inheemse stammen. Ze moesten ‘gewone’ Amerikanen worden.

King legt het allemaal helder uit, zelfs een beetje schools. Ook is enige voorkennis wel gewenst, want de voormalige conservator borduurt duidelijk voort op het werk van de zogenaamde ‘nieuwe’ historici van het Amerikaanse Westen. Bij hen staat niet langer passief slachtofferschap centraal maar juist indiaanse agency, de actieve invloed van inheemse volken op de natuurlijke en historische omgeving, voorbij de romantisch-koloniale clichés over barbaren hetzij nobele wilden.

En het ‘slachtofferschap’? King mijdt omzichtig het woord genocide, al bevat zijn boek schokkende feiten genoeg (bijvoorbeeld dat nog tussen 1970 en 1976 zo’n 25.000 indiaanse vrouwen min of meer gedwongen werden gesteriliseerd in het kader van eugenetica). Hij spreekt wel van genocidale episodes (onder meer in Californië), maar wil duidelijk niet in dat gepolariseerde ideologische debat getrokken worden en verwijst ernaar in een voetnoot. In plaats daarvan concentreert hij zich op het heden en de toekomst. Juist dat maakt Blood and Land een bijzonder en broodnodig boek.

Aspirant-redder Van den Broeck hoeft zichzelf dus niet zoveel meer te kwellen, zoals hij als levenslange aficionado van zijn geliefde Sioux vast ook wel weet. De indianen worden al ‘gered’ – en in de eerste plaats door henzelf.