Column

Bemoeizucht

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelancejournalist en stadsgids in Rotterdam.

Toen ik 23 jaar geleden naar het keurige Rotterdam-Blijdorp verhuisde begon het al. De voorzitter van de vereniging van eigenaren eiste dat we per direct de weelderige druif van ons balkonrek verwijderden, omdat alle rekken in de straat geverfd moesten worden. Ik dacht dat we dat met een koophuis eindelijk zelf mochten bepalen, maar om een juridische procedure te voorkomen ging de oude wijnrank er uiteindelijk uit en is het ook nooit meer goed gekomen tussen ons en de vereniging.

Sowieso moesten we in het begin erg wennen aan de bemoeizucht van onze Blijdorpse buurtjes. Als mijn auto met zijn neus de verkeerde kant op stond geparkeerd, belde de buurman me uit mijn bed om me te „waarschuwen” voor het risico op een boete. Of vond ik een briefje van de wijkagent in mijn raamkozijn die had geconstateerd dat ik mijn slaapkamerraam open had laten staan en ons griezelige inbraak- of overvalscenario’s voorschotelde. Of die buurman die telkens met een chagrijnig hoofd bij zijn geparkeerde auto ging staan als onze kleuters aan het steppen of fietsen waren, om te voorkomen dat ze met hun stuurtjes zijn autolak zouden beschadigen.

Ook wordt al jaren geklaagd over onze hoge heg en over de bloesemblaadjes van onze Japanse kers, die ieder voorjaar zorgen voor een roze tapijt in aangrenzende tuinen. Ik kreeg zelfs een opmerking over de rommel in de achterbak van mijn Volvo-station, met de suggestie om er dan op zijn minst een doek overheen te leggen.

Met als gevolg dat wij ons in de loop der jaren steeds verder hebben teruggetrokken achter die hoge heg en hooguit nog beleefd knikken naar onze buurtgenoten.

Deze week vond ik een sticker op mijn autoruit. „Niet zo parkeren, maar zo”, stond er in koeienletters, met daarbij twee grafische afbeeldingen van hoe een auto wel en niet in een parkeervak hoort te staan. Ik begreep niet wat ik verkeerd had gedaan, maar vermoedde dat het misschien te maken had met de afstand tussen mijn auto en de stoeprand. Die was – ik ben het uit woede gaan opmeten – precies 18,5 centimeter. Niet erg strak ingeparkeerd inderdaad, maar iedereen weet hoe moeilijk dat is met zo’n lange Volvo-station. Bovendien stond hij aan de straatkant precies op de streep, dus wat was het probleem?

Ik weet nog steeds niet of het een actie is geweest van een chagrijnige buurtgenoot of van een overijverige stadswacht, maar ik weet wel dat mijn heg nog verder de lucht in zal gaan. Volgend voorjaar, als de bloesemblaadjes vallen, zit er precies 18,5 centimeter bovenop. Ik kan niet wachten.