Amateurdichter

Een lezer, de 77-jarige Piet van Sabben, stuurde mij ongevraagd een aantal van zijn gedichten toe. Vroeger had hij gedichten gepubliceerd in het literaire tijdschrift Maatstaf, maar sinds de opheffing daarvan wist hij niet meer goed aan wie hij ze moest aanbieden.

Hij stuurde daarom een aantal nieuwe gedichten op naar De Arbeiderspers, de uitgever van Maatstaf, met de vraag aan welke professionele beoordelaars hij ze het best kon voorleggen. „Omdat ik nog van voor de – onze – oorlog ben zult u niet al te lang moeten wachten met reageren”, schreef Van Sabben.

Hij mocht wat meer per e-mail opsturen, reageerde de uitgever, maar hij zou dan „een beetje in een wonderlijke tombola terechtkomen”. Daarom kon hij beter gebruikmaken van „eventuele schrijversvrienden of anderszins literaire contacten die uw werk kunnen introduceren”.

Omdat hij geen levende schrijversvrienden meer heeft, wendde hij zich tot mij. Ik las negen van zijn gedichten en vond ze goed. Piet van Sabben is een amateurdichter, maar hij dicht niet als een amateur. Hij schrijft licht over zware thema’s: vergankelijkheid, sombere gevoelens, jeugdherinneringen. Ik vroeg hem wie zijn favoriete Nederlandse dichters waren en was niet verrast over het antwoord: Bloem, Slauerhoff, Van Schagen, Marsman, Nijhoff, Van Nijlen, Eijkelboom, Korteweg, Marjoleine de Vos, Kopland.

Ik druk hier twee van zijn gedichten af. Eerst ‘een zondagochtend’ (Van Sabben dicht zonder hoofdletters).

een zondagochtend – halfweg het jaar –

een strelend windje dat als ademtocht de

zon steeds nieuw laat schijnen, na elke

wolkenbocht. ik voel me goed, maar kan

me niet verweren tegen de drang dit

snufje paradijs te willen prolongeren.

’t moet vastgelegd, ’t zal duren. tijd en

bestendigheid leggen me in de luren.

de vleug volmaaktheid die je treft is heen

voordat je ’t goed en wel beseft. het

alledaagse, ach we verteren het als water

en dient zich dan een enkele keer een

nietig spoor van ’t diep verlangde aan,

begeleidt haar steeds die kater.

Tot slot het gedicht ‘zorgvlied’.

aan ’t zwerven rond amsterdam op

zorgvlied terecht gekomen. en omdat

daar geen mens meer hulp behoeft

verbindt men er thans bomen.

omzwachteld, half wakker, bewaken

ze die dodenakker en tasten met hun

wortels rond om extra voeding uit een

grond die hen moet dragen maar er

wel bijligt als terneergeslagen. want

ja, de god die toezei mensen voor

eeuwig te behoeden, lei ze hier neer

om uitgeputte bomen bij te voeden.

dat is me niet verteld op

zondagsschool.