Commentaar

Van der Dussen heeft een zaak

nrcvindt

Snijdt de klacht van ex-gedetineerde Van der Dussen hout dat Nederland hem liet vallen toen in zijn Spaanse strafproces in 2004 een fout werd gemaakt, zoals achteraf bleek? Anders gezegd, hoe ver strekt de zorgplicht van de Staat voor landgenoten die in het buitenland worden vervolgd eigenlijk? De kwestie Romano van der Dussen, deze week in de krant opgehaald, is hoe dan ook een treurig verhaal van samenloop, onmacht, isolement en dwaling. Al vóór het strafproces sloot een gevonden DNA-spoor hem objectief uit als dader van verkrachting. Desondanks werd hij mede daarvoor uiteindelijk veroordeeld tot twaalf jaar. De zaak werd pas jaren later heropend toen de Britse drager van het betreffende DNA-spoor werd gevonden en bekende.

Inmiddels vrijgelaten oordeelt de ex-verdachte dat Den Haag hem had kunnen en dus moeten behoeden voor de Spaanse dwaling – en dat dus minister Koenders’ verzekering aan de Kamer dat in zijn zaak Nederland steeds adequaat optrad, onjuist is.

De kwestie is interessant omdat de zorg voor Nederlanders in buitenlandse gevangenissen lang een zwak punt is geweest. Onder meer omdat het er nogal veel waren, Buitenlandse Zaken er lang geen structureel beleid voor kende en er daarom nogal wat Nederlanders letterlijk wegkwijnden in vreemde cachotten. De Rekenkamer deed in 2000 een onderzoek, wat het kabinet destijds bracht tot het formuleren van een ‘zorgnorm’. Daarmee werd artikel 36 1.c van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen ingevuld, dat het bezoekrecht aan ‘eigen’ gedetineerden regelt en het eigen land verplicht tot het bieden van juridische bijstand. Uitgangspunt is wel dat de verdragsstaat zich niet mag bemoeien met de rechtsgang, de schuldvraag, het bewijs of de strafmaat. Althans zolang „de rechtsregels op de juiste wijze zijn toegepast”.

Dat is in deze casus precies waar het om draait. Heeft de Nederlandse consulair ambtenaar deze zaak ook bij aanvang voldoende alert gevolgd? Of is de niet erg redzame Van der Dussen toch aan zijn lot overgelaten, wat destijds vaker voorkwam?

Precies in die jaren ontwikkelde Den Haag de gedachte dat buitenlandse gedetineerden ‘bij gerede twijfel’ op kosten van het departement een vertrouwensadvocaat mochten inschakelen om een second opinion te krijgen. Dat had in deze zaak veel leed kunnen voorkomen. Het bijwonen van de strafzitting door de consulair ambtenaar verloor ook z’n vrijblijvendheid. „Indien mogelijk of noodzakelijk” werd de maatstaf. Het lijkt er op dat Den Haag in de beginfase van deze zaak inderdaad niet alle zeilen had bijgezet. Maar of deze wijsheid achteraf nu veel helpt is een open vraag.