Column

Pablo Picasso op zijn gelukkigst

Picasso aan Zee laat zien dat kunst speels kan zijn, en grappig. Het is goed om daar af en toe aan herinnerd te worden.

Geit van Picasso, te zien in Museum Beelden aan Zee Foto Gijsbert van der Wal

Een vriendin van mij was begin jaren tachtig docent handvaardigheid op een middelbare school. Bij het begin van een nieuw schooljaar wilde ze peilen hoe het zat met de kunstkennis van haar leerlingen. Ze vroeg de klas: wie van jullie kent Picasso? Tot haar grote verrassing gingen alle handen omhoog. Viel dat even mee. Maar toen ze doorvroeg, bleek dat de jongens en meisjes dachten dat ze bar-dancing Picasso bedoelde, de plaatselijke uitgaansgelegenheid.

Toch is Pablo Picasso veruit de bekendste kunstenaar van de twintigste eeuw. Dat er zelfs discotheken (en auto’s en heel veel bistro’s) naar hem zijn vernoemd, zegt wel iets. Hij was al een beroemdheid toen hij zich in de zomer van 1947, vijfenzestig jaar oud, vestigde in Vallauris, een stadje aan de Côte d’Azur. Daar beleefde hij gelukkige jaren, onder andere omdat de lokale bevolking niet of nauwelijks wist wie hij was. De arbeiders in de plaatselijke pottenbakkerij Madoura behandelden hem als een collega-ambachtsman.

Manisch enthousiasme

Bij Madoura kon Picasso weer tamelijk onbevangen spelen. Hij leerde er – naast zijn tweede echtgenote Jacqueline Roque, die er werkte – de mogelijkheden van keramiek kennen. Werken in keramiek was voor hem schilderen en beeldhouwen tegelijk. In een schilderij probeer je iets ruimtelijks te suggereren, schreef hij in 1947 aan zijn vriend Henri Laurens, terwijl je daar in een beeld niet zo mee bezig hoeft te zijn, want dat is al ruimtelijk van zichzelf. Goed, maar dan keramiek: „Ik heb op gebogen oppervlakken geschilderd, bollen bijvoorbeeld. Het is verbazingwekkend. Je beschildert een fles en het rent van je weg, het glijdt om de ronding heen.”

Picasso stortte zich met een bijna manisch enthousiasme op de millennia oude, maar voor hem geheel nieuwe techniek – ongeveer zoals David Hockney (ook zo’n blijmoedige, nieuwsgierige schilder) zich later zou storten in de fotocollage en het tekenen op de iPad. Door te veranderen van woonomgeving en medium wist Picasso zich „artistiek te herladen”, aldus directeur Jan Teeuwisse van Museum Beelden aan Zee in de catalogus bij de tentoonstelling Picasso aan Zee.

Deze hele winter toont het Scheveningse museum beelden en keramiek van Picasso uit de periode 1947-1960, merendeels in bruikleen gegeven door de Picasso-musea in Antibes en Parijs en de erven van de kunstenaar. Het is een tentoonstelling als een blikopener, want met Picasso’s hulp zie je een hoofd in een schoenpoetserskist of een lepel. En handen in vorken, een uil in een kan, een vrouw in een fles, een vlecht in een handvat. In de keramiek versterkt hij de suggestie van een driedimensionale vorm vaak met verf. Maar hij heeft soms ook gewoon de vorm zelf alvast omgebogen voordat de klei de oven in ging.

Bij Picasso mocht alles. Dat wisten we al, maar het is goed om er af en toe aan herinnerd te worden. Kunst kan speels zijn en grappig. Je kunt van alles iets maken – een stierenkop van een fietsstuur en zadel (niet op de tentoonstelling), een geit van aardewerkscherven, oud ijzer en een rieten mand (wel te zien, in brons gegoten). Het is te hopen dat er veel schoolklassen naar Scheveningen afreizen en Picasso leren kennen. De kunstenaar, wel te verstaan.