Recensie

Lijf

Deckwitz, Ellen 10-2015 01

Vannacht dacht mijn lichaam van wiehoe Ellen slaapt, even al die houdingen aannemen waar ze, als ze bij bewustzijn is, totaal geen trek in heeft! En zo draaiden en woelden mijn ledematen, hoofd en ruggengraat tot ze 1. mijn huidige bedgenoot tegen de slaapkamerwand hadden klemgezet en 2. de spier die mijn achterhoofd en rechterschouder met elkaar verbindt op een zeker moment ‘verrek’ zei en daad bij woord voegde. Waardoor ik vandaag al de hele dag scheef loop, alsof ik ben blijven hangen in de choreografie van Thriller. Deze blessure, de zoveelste in korte tijd, legt de vinger op iets waar ik liever niet al teveel aan denk: dat mijn lijf een eigen wil heeft.

Sommige lichamen zijn een soort sint-bernards, die doen alles voor hun baasje. Een vriend van mij rookt, drinkt, eet, drugst bij het leven, sport principieel niet en heeft alsnog een betere conditie dan ik. Zijn lijf redt dankzij een toplever, spectaculair immuunsysteem en betrouwbare enkelbanden zijn baasje altijd wel uit de penarie. Mijn eigen lichaam is meer een jack russel. Ik hoef maar aan een deurknop te likken en ik heb al tetanus. Ik hoef maar een stoeprand te zien of hup, daar gaat mijn middenvoetsbeentje. Laatst was ik uit, en merkte ik dat mijn neus de persoon die voor mij stond, aan het besnuffelen was. ‘Af, af!’, siste ik tegen mijn neus, waarop de rest van mijn lichaam nog dichter tegen de persoon in kwestie ging staan.

Mijn zus zei aan de telefoon dat het heel leuk bedacht was, die hondenmetafoor, maar dat ik meteen op de bank moest gaan liggen en niet meer mocht bewegen tot ze de boodschappen had gebracht en naar mijn nek kon kijken (mijn zus is psycholoog maar klust bij als masseuse). Ja, dacht ik, natuurlijk is mijn lichaam geen hond, mijn lichaam is gewoon een verzameling onderdelen die vaak niet werkt (het hoofd, de spieren, de darmen), maar ik merkte dat ik minder boos op deze disfunctionele incarnatie was als ik haar vergeleek met een pluizig dier. Dat is soms de enige troost als mijn gezondheid weer eens de hort op gaat: het vergelijken met iets liefs. Dan ben ik minder boos op mijn gestel.

Mijn zus kwam, zag en masseerde me suf. Plakte zo’n warmtepleister op de pijnlijke plek, schreef een aantal oefeningen voor en zei dat ik minstens ieder uur even een rondje moest lopen. Ze gooide een deken over me heen en liep de keuken in om de boodschappen op te bergen. Zij heeft nooit pijn. Haar lichaam doet het altijd. Wat goed voor mij is: haar lijf is mijn blindengeleidelabrador. Maar dat zei ik maar niet.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.