Column

Is dans goed, dan slaat het alles

‘De dans wordt gediscriminéérd. Zo ís het.” In de Amsterdamse Stadsschouwburg is het zondagmiddagprogramma rond Hans van Manen koud begonnen, of hij windt zich al op. Van Manen, choreograaf van wereldklasse (dat zeg ik niet alleen, dat zegt de internationale kritiek), komt op voor de dans. Dat heeft hij altijd gedaan en dat zal hij blijven doen tot zijn laatste snik – die hopelijk nog ver weg is. Want ook al is hij 84, hij werkt. En hoe. En elk nieuw Van Manen-ballet betekent dat de wereld weer een stukje mooier is geworden.

Maar of de dans gediscrimineerd wordt… Is dat nou zo?

Wel een beetje.

Uit lezersonderzoek van NRC komt bijvoorbeeld vaak naar voren dat er voor artikelen over dans minder belangstelling is. Zag ik iets moois, spoor ik mijn vrienden aan: ga d’r nou héén. En weet ik dat ze meestal ja zeggen en nee doen.

Dans, vooral moderne dans, heeft een eigen publiek dat weet hoe verpletterend een dansvoorstelling kan zijn. De rest begint er niet aan.

Dans heeft de schijn tegen. Misschien omdat het risico zo groot is. Een verkeerd schilderij sla je gewoon over. Bij een tegenvallend toneelstuk zit je op je stoel te draaien, maar heb je houvast aan het verhaal. En een slechte film is best te doorstaan. Zie de Dan-Brown-verfilming Inferno. Een gerafeld verhaal dat zichzelf ook niet snapt. Opgefokte beelden. Cliché-muziek. Kortom, een ramp. En toch zat ik ’m moeiteloos uit. Want de acteurs zijn leuk om naar te kijken (herken ik daar nou Brigitte uit Borgen?) en Florence en Venetië ook (moet ik toch weer eens naar toe).

Maar een slechte dansvoorstelling? Die is niet om door te komen.

Dans komt binnen als muziek. Het bespeelt het gevoel, wat het vertelt vervliegt als een droom. En dan zijn de dansers eigenlijk altijd erg goed, en dat werkt voor een slechte voorstelling niet positief maar averechts. Het publiek krijgt de zenuwen, want het geneert zich voor die dansers: zo geweldig zijn, in zo’n abominabel ballet.

Maar! Is dans wél goed, dan slaat het alles. Zoals Happiness van het Groningse Club Guy&Roni: en ze leefden nog lang en ongelukkig – en dat is maar gelukkig ook. Daar gaat het over. Je voelt het gebeuren, terwijl je wordt weggeblazen door de punkchoreografie van Guy Weizman, vol uitzinnige types en fantasieën over buitenbeentjes. (En met briljante dansers, uiteraard.)

Op de Van-Manen-middag zijn we toe aan een rondje vragen uit het publiek. Een mevrouw wil weten: „Meneer Van Manen, doet u de volgende keer nou eens wat humor in uw ballet?”

Hè? Ik wil opstaan. Schreeuwen. Niet alleen doorspekte Hans van Manen zijn verhalen de hele middag met anekdotes, hij vertoonde fragmenten uit zijn werk. Uit het maffe Black Cake. Het vileine Visions Fugitives. Hoe heeft zij niet kunnen zien dat hij, zoals elk wijs mens, bestaat bij het inzicht dat er altijd iets te lachen valt?

En Van Manen? Die ontploft niet. Hij geeft haar antwoord. Ja, humor, dat vindt hij belangrijk, hoor. Maar ook verder is dans fantastisch – hij herhaalt het, alsof hij een slang bezweert.

Ik vrees dat het vergooide moeite is. Deze mevrouw blijft gewoon denken: Dans? Blèh! Moeilijk hoor.

Pech voor haar.