Opinie

EU verliest grip op Britse kernenergieplannen

Opinie Brexit luidt een nucleaire renaissance in, vrezen Paul van Seters en Ruud Lubbers. Het Verenigd Koninkrijk start binnenkort al met de bouw van een gigantische kerncentrale.

©

Hinkley Point, een uitham in het zuidwesten van Engeland, is aangewezen als locatie voor deze nieuwe kernenergiecentrale. Op 15 september gaf de Britse premier Theresa May groen licht voor de bouw ervan. Op 2 oktober kondigde ze aan dat de regering de procedure in gang zet voor de Brexit waartoe het volk per referendum besloot. Deze uittreding kan wel eens een onvoorzien effect hebben, een ‘nucleaire renaissance’ waar de EU geen grip op heeft.

Hinkley Point is de eerste nieuwe kerncentrale in het Verenigd Koninkrijk in meer dan 20 jaar. Met een investering van 21 miljard euro wordt het de duurste ter wereld ooit, voor twee derde gefinancierd door het Franse EDF en voor een derde door het Chinese CNG. De Britse regering subsidieert Hinkley Point met een toezegging om de eerste 35 jaar elektriciteit af te nemen tegen een prijs ver boven de huidige marktprijs. De centrale moet in 2025 operationeel zijn, en dan voorzien in zeven procent van de Britse elektriciteitsbehoefte.

De vraag is of Hinkley Point na Brexit nog steeds valt onder het gezag van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). Euratom is opgericht in 1957 door het Verdrag van Rome, samen met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en de Europese Economische Gemeenschap (EEG). In latere jaren zijn EGKS en EEG opgegaan in de EU, maar Euratom is een afzonderlijke, zelfstandige rechtspersoon gebleven.

Op basis van het Verdrag van Rome en de latere Europese verdragen zijn alle landen die lid zijn van de EU ook lid van Euratom. Een staat kan het lidmaatschap van de EU opzeggen via een artikel 50-procedure. Dat gebeurt bij Brexit. Het Euratom Verdrag heeft echter geen soortgelijke exit-regeling. Maar welke gevolgen heeft Brexit dan voor het Euratom-lidmaatschap? Daar lijkt nog niet goed over nagedacht.

PINC

Het beleid van de Europese Commissie werpt een bijzonder licht op deze kwestie. In april 2016 publiceerde de Commissie het ‘Indicatief programma op het gebied van kernenergie’ — meestal aangeduid als PINC 2016. Sinds de start van Euratom in 1958 is PINC 2016 het zesde rapport over kernenergie dat de Commissie uitbrengt. Het is het eerste rapport in deze reeks sinds ‘Fukushima’ (2011), en staat daarom vooral in het teken van de noodzaak van meer veiligheid.

PINC 2016 bevat een schat aan gegevens over de rol die kernenergie nu wereldwijd in de elektriciteitsvoorziening speelt en over de benodigde investeringen om die veilig te maken. De nucleaire investeringsbehoeften worden op drie triljard euro tot 2050 geraamd. Dat is dan mondiaal en wordt vooral in Azië verwacht; en daar vooral in China. Het kernenergievermogen van China zal toenemen tot 125 gigawatt. Dat is meer dan de huidige EU-capaciteit (120 gigawatt), die van de VS (104 gigawatt) of die van Rusland (25 gigawatt).

PINC 2016 voorziet in de EU minder kernenergie tot 2025; daarna een lichte stijging om tegen 2050 te stabiliseren op 95 à 105 gigawatt. In de EU zal het aandeel kernenergie in het totaal van het energieverbruik dalen van 27 procent naar 20 procent. Ook meldt PINC 2016 dat uiterlijk 2050 90 procent van de bestaande nucleaire capaciteit vervangen zal zijn, onder strengere eisen die aan veiligheid worden gesteld. Nieuwe centrales zullen een levensduur van ten minste 60 jaar hebben.

En dan is er nog het Klimaatakkoord van Parijs. Welke rol kernenergie daadwerkelijk zal spelen bij het bereiken van de doelen van dat akkoord blijft voorlopig onduidelijk. Maar China heeft (samen met de VS) vooropgelopen, zowel bij de aanloop naar het akkoord als bij de ratificatie. Tegelijkertijd is China op het gebied van kernenergie bezig met een grote sprong voorwaarts – zie hun investering in Hinkley Point. Duitsland heeft na Fukushima gekozen voor de ‘Atomausstieg’, en in eigen land sympathiseren velen met het idee van ‘Kernenergie de wereld uit, te beginnen in Nederland’ — maar de Chinezen trekken zich daar weinig van aan. En de Fransen en de Britten dus ook niet.