Recensie

De westerse blik op kunst is niet langer houdbaar

In het Haus der Kunst in München is een van de grootste en meest ambitieuze tentoonstellingen van de afgelopen dertig jaar te zien.

Ibrahim el-Salahi: Self-portrait of suffering, 1961 Foto’s Haus der Kunst München

Hier, in het Haus der Kunst in München wordt de nieuwe kunstgeschiedenis geschreven. Neem deze forse wand, die tamelijk onopvallend aan de zijkant van de immense tentoonstelling staat. Daarop hangt allereerst een metersgroot, ongemakkelijk schrapende mensfiguur dat de Amerikaanse schilder Leon Golub schilderde in zijn Parijse periode. Dan: een dramatisch terugdeinzende paus van Francis Bacon. Vervolgens een groot krioelend portretschilderij van de Indiër Maqbool Fida Husain, een nogal rare, want vroege en figuratieve On Kawara en een prachtig doek over sterven en hemelvaart van de Soedanese schilder Ibrahim El-Salahi. Om vervolgens de eindigen met het op één na bekendste protestschilderij van Picasso: Massacre in Korea uit 1951 – een groep mensen die theatraal terugdeinst voor een executiepeloton. Inderdaad, het is bijna een puzzel: wat hebben deze werken met elkaar te maken, behalve dat ze werden vervaardigd tussen 1951 en 1963 en allemaal mensfiguren tonen? En dat ze allemaal verdomde goed zijn?

Georg Baselitz

Big night in a bucket, 1962/’63. Georg Baselitz

Die vraag naar het verband is precies het grote dilemma van Postwar, Art between the Pacific and the Atlantic, 1946-1965 – vermoedelijk een van de grootste en meest ambitieuze tentoonstellingen van de afgelopen dertig jaar, van dezelfde categorie als Westkunst (1981) Bilderstreit (1989) of Magiciens de la Terre (1989). Alleen is het dilemma dat ze aan de kaak stellen sindsdien nog groter geworden: gingen de drie voornoemde tentoonstellingen nog vooral over mogelijke nieuwe verhoudingen tussen artistieke tradities onderling, bij Postwar voel je nadrukkelijk dat de nieuwe blik in de eerste plaats is afgedwongen door de buitenwereld onder invloed van internet, immigratie en mondialisering.

Daarom is het op het eerste gezicht ook verrassend dat de samenstellers de eerste twee decennia van na de Tweede Wereldoorlog als uitgangspunt nemen. Maar dat is juist heel slim, want ze beschouwen die jaren (terecht) als tijd waarin de laatste grote artistieke vernieuwingen plaatsvonden – en daarmee als de periode waarin het fundament werd gelegd voor de huidige blik op kunst.

Postwar pakt de moderne artistieke visie aan bij zijn wortels, herschrijft de kunstgeschiedenis met terugwerkende kracht in de hoop zo nieuwe openingen te laten zien, nieuwe mogelijkheden. Een nieuw wereldbeeld, zeg maar gerust.

Versnippering

Anwar Jalal Shemza

The Fable, 1962. Anwar Jalal Shemza

Maar kan dat eigenlijk wel? Zijn we juist het idee van één uniform wereldbeeld de laatste jaren niet kwijtgeraakt?

Hoe het ook zij, het is historisch gezien in ieder geval bijzonder dat Postwar wordt georganiseerd in het Haus der Kunst, het museum dat in 1937 door Hitler werd gebouwd als symbool voor andere, nieuwe tijden. Al is het ook niet héél verrassend: Haus der Kunst-directeur Okwui Enwezor, medesamensteller van Postwar, gebruikte de beladen geschiedenis van ‘zijn’ gebouw al eerder om vragen te stellen over de geschiedenis. Toch was het contrast zelden groter dan nu: waar de architectuur van het museum symbool staat voor enkelvoudige, dictatoriale macht en een autoritair wereldbeeld, tonen de 350 (!) werken van 218 kunstenaars uit 65 landen op Postwar juist de versnippering die je krijgt als elke autoriteit, elke zekerheid op losse schroeven is gezet.

Het eerste gevolg daarvan is dat het je al bij het betreden van de expositie (en nog lang daarna) duizelt van de indrukken, beelden, ideeën – inderdaad, net de huidige wereld. Het ironische is: de tentoonstelling legt heel goed uit dat die onbeheersbaarheid ook de bedoeling was. Hoe verschillend de kunstwerk op Postwar ook zijn, er is wel degelijk een begrip dat ze bij elkaar houdt: het streven naar vrijheid, naar onafhankelijkheid, zowel artistiek als sociaal als politiek.

Emancipatietentoonstelling

Belangrijker is echter dat de expositie vooral laat zien dat dit fenomeen zich bepaald niet beperkte tot het westen – Postwar is vooral een emancipatietentoonstelling voor kunst uit de hele wereld. En dus hangt er een flinke cluster kunstenaars die prachtige esthetische abstracties maken (variërend van de Mexicaanse Carmen Herrera, de Argentijn Tomás Maldonado tot de Amerikaan Ellsworth Kelly), maar ook kunstenaars die er in dezelfde tijd voor kozen enthousiast de lokale dictator te bejubelen (Vasiliy Yakovlev, Fyodor Shurpin, Jia Youfu).

Er zijn kunstenaars die beweging en dynamiek op hun (stilstaande) werken probeerden te vangen (Joan Mitchell (VS), Kazuo Shiraga (Japan), Fahrelnissa Zeid (Turkije) en kunstenaars die werk maken door vrolijk aan het vernielen te slaan (Carolee Schneemann (VS), Shozo Shimamoto (Japan), Gunther Uecker (Dtsl.) Wat een vrijheid, denk je al snel, en wat verrassend dat diezelfde vrijheid over de hele wereld werd gevierd!

Tot je beseft dat daar een vreemde paradox onder schuilt: waarom vieren die kunstenaars van over de hele wereld de vrijheid op dezelfde manier? Was er toch meer druk van geld, mode, buitenwereld dan de samenstellers toegeven? Bestaat deze vrijheid eigenlijk wel, als kunstenaar in heel verschillende culturen hetzelfde blijken te doen? Had de tentoonstelling misschien beter ‘Zeitgeist’ kunnen heten?

Roy Lichtenstein

Atom Burst, 1965. Roy Lichtenstein

Onderstroom

Daar zit ook meteen de fascinerende onderstroom van Postwar. De tentoonstelling wil de overkoepelende kracht van kunst over de hele wereld laten zien, Alle Menschen werden Bruder, door aan te tonen dat kunstenaars overal op hetzelfde moment raakten aan dezelfde fenomenen. Het goede daarvan is dat het theoretische relativeren van het westen als middelpunt van alle belangrijke nieuwe artistieke ontwikkelingen nadrukkelijk door de praktijk wordt bevestigd – op Postwar kun je zien dat artistieke vernieuwing en eigenzinnigheid geen exclusief westers fenomenen zijn.

Alleen: de tentoonstelling laat vervolgens na om nieuwe criteria te formuleren. Terwijl dat na zo’n aanzet wel voor de hand ligt: een expositie die overtuigend laat zien dat de exclusief westerse blik op de kunstgeschiedenis niet langer houdbaar is, mag vervolgens op zijn minst een hint geven naar nieuwe manieren waarop we kunst, afkomstig uit zulke verschillende culturen, met zulke verschillende achtergronden, kunnen bekijken. Dat vinden Enwezor en de zijnen duidelijk een stap te ver: sterker nog, je kunt volhouden dat de onderscheidingscriteria die op de tentoonstelling worden gebruikt (realisme, abstractie, modernisme) het hele vernieuwende verhaal weer terugduwt in de ouderwetse westerse norm.

Die overduidelijke worsteling tussen oude en nieuwe normen versterkt het gevoel dat Postwar een typische overgangstentoonstelling is: ze signaleert een belangrijk dilemma, maar weet nog niet voldoende los te komen van het eigen verleden, om nieuwe, alternatieve manieren van kijken te suggereren.

Vloedgolf van kunstwerken

Dat maakte dat deze kijker, in die vloedgolf van kunstwerken van over de hele wereld, uiteindelijk toch weer terugviel op een van alleroudste artistieke criteria die er zijn: uniciteit, kunstenaars die het net even anders doen, waar ze ook vandaan komen. En dan springt Ibrahim el-Salahi er ineens uit, met zijn wonderlijke doeken waarop Afrikaanse beeldtaal wordt gecombineerd met stripachtige helderheid en een bijna zwevende lichtheid.

En good old Niki de Saint Phalle met haar vormeloze, vrolijk veelkleurige schilderijen waar ze verschillende kogels doorheen joeg. En de Zweed Öyvind Fahlström met zijn enorme, veelkleurige collages die aan dunne nylon draden hangen aan het plafond. Of neem de zaal waar ik dit stuk mee begon: hoe goed alle getoonde werken ook zijn, naast El-Salahi vielen toch vooral Bacon en Husein op, simpelweg omdat ze iets doen wat ik elders op Postwar niet tegenkwam – en bij anderen ook zelden zie.

Dat is misschien een mooie ambitie: als we kunst van over de hele wereld écht gelijk willen stellen, gaan we bij kunstenaars uit ‘andere’ culturen niet paternalistisch zoeken naar de elementen die we herkennen, waarin ze lijken op ‘ons’, maar zoeken we ‘gewoon’ naar kunst die nieuwe werelden opent, die verbaast en verrast – net zoals bij westerse kunstenaars. Als dat lukt, dan kan de kunst zomaar haar nieuwe, mondiale fase in.

Postwar: Art Between the Pacific and The Atlantic, 1945-1965. T/m 26 maart 2017 in het Haus der Kunst, München. Info: hausderkunst.de