Recensie

Wat een fijn, ruig bandje was dat

The Beatles

De documentaire van Ron Howard gaat over de turbulente relatie tussen de popgroep en de aanbidders die door de muziek heen gilden. ****.

The Beatles in hun hotelkamer in Stockholm, eerste Zweedse tournee, oktober 1963. ©

In Apollo 13 laat filmregisseur Ron Howard drie astronauten de ruimte in schieten, waarna ze vast komen te zitten in een ruimtecapsule. In Eight Days a Week gebeurt ongeveer hetzelfde met vier Britse musici. Ze worden in 1963 plots wereldsterren, komen vast te zitten in een menigte gillende meisjes, en sluiten zich met zijn vieren op in een cocon. Hoe komen ze terug op aarde?

Howards documentaire gaat over de wereldtournees die The Beatles maakten in de jaren 1963-1966, met de nadruk op de drie Amerikaanse tournees. Grootste attractie van de film zijn de opgepoetste, zelfs deels ingekleurde, concertbeelden.

Het begin is meteen magisch: The Beatles spelen She Loves You en Twist and Shout in helder Technicolor en met fantastisch geluid. De beelden komen uit de korte film The Beatles Come to Town, in 1963 gemaakt door Pathé News voor bioscoopvertoning. Je bent zo gewend om die oerbeelden in zwart-wit te zien, dat zelfs de bontgekleurde achterdoeken een verrassing zijn. Live klinken The Beatles rauwer en spelen ze sneller dan op de plaat – je begrijpt weer wat beter de grote opwinding die ze veroorzaakten.

De tekst gaat verder na deze video

Beatlemania

Howard heeft veel werk gemaakt van het opduiken van nieuw beeldmateriaal, met als grootste vondst amateurbeelden van het laatste concert in Candlestick Park in San Francisco, 29 augustus 1966. Maar dat is verder alleen boeiend voor de echte kenners. De nieuwe beelden illustreren een oud verhaal. Dit is de overbekende geschiedenis zoals zanger Paul McCartney haar graag brengt, en zoals die al eerder uitputtend is verteld in The Beatles Anthology uit 1995. Alleen is het verhaal nu nog verder ontdaan van de scherpe en donkere kanten.

Geeft verder niet. Howard wil The Beatles presenteren aan een jong publiek, en voor hen is dit nieuw. En het verhaal van ‘Beatlemania’ blijft fascinerend. Steeds weer zien we de vrolijke jongens aankomen op een vliegveld of bij een concertzaal, waar ze worden geconfronteerd met een meute hysterisch gillende meisjes die hen wellustig aan stukken willen scheuren. Dionysische taferelen, verontrustend voor de naoorlogse samenleving waar meisjes juist kuis en ingetogen behoorden te zijn.

De nuchtere Beatles reageren steeds weer verbaasd geamuseerd op het onthaal, wat geestig detoneert met de waanzin. Je kunt, net als The Beatles, lachen om de opgewonden meisjes in hun truttige jurkjes, maar twee uur luisteren naar het onafgebroken gillen werkt ook beklemmend.

Helemaal zonder donkere kant is de film dan ook niet. De stormachtige liefde tussen de popgoden en hun opdringerige volgelingen begon na drie jaar scheuren te vertonen. The Beatles voelden zich steeds meer slaaf van hun roem, en kregen er genoeg van om altijd maar op te moeten draven om burgemeestersvrouwen een hand te geven, die kwaad werden als ze een keer weigerden. Vaak sloten ze zich met zijn vieren op in de wc van hun hotelkamer, omdat dit de enige plek was waar ze met rust werden gelaten.

The Beatles in Shea Stadium, New York, tweede Amerikaanse tournee, 15 augustus 1965.

‘Groter dan Jezus Christus’

De buitenwereld op haar beurt werd steeds vijandiger, vooral als de goden hen teleurstelden. Dat bleek nadat bandleider John Lennon in een interview had gezegd: „The Beatles zijn populairder dan Jezus Christus.” Amerikaanse christenen keerden zich massaal tegen de band, organiseerden plaatverbrandingen, en stuurden doodsbedreigingen.

Daarbij kwam dat het steeds minder om de muziek ging. Om de grote menigtes te kunnen bedienen, moesten The Beatles in stadions spelen – de eerste stadionconcerten – maar de techniek was daar nog niet klaar voor, zodat ze nauwelijks te horen waren. Ze konden zichzelf niet eens horen. En wat nog wel te horen had kunnen zijn, werd overstemd door het gegil. De meisjes kwamen niet voor de muziek, ze kwamen voor de opwinding. John Lennon noemde de concerten later minachtend „freakshows”.

En er was nog iets. Terwijl de groep op de concerten nog vrolijke, ongecompliceerde rock-’n-roll speelde, was ze in de opnamestudio verrassend snel grenzen aan het verleggen. Op de albums Rubber Soul (1965) en Revolver (1966) experimenteerden ze met het mengen van stijlen, het oprekken van de popconventies, en met het uitvinden van nieuwe opnametechnieken. In de rust van de studio, waar ze zelf de dienst uitmaakten, voelden ze zich meer thuis dan in de concertzalen.

Dit alles leidde ertoe dat ze in de zomer van 1966 besloten nooit meer op te treden, en zich verder volledig te richten op plaatopnames. Jammer voor de eredienst rond de band, die zich voortaan binnenskamers moest voltrekken, maar een zegen voor de popmuziek. Want, zo blijkt uit de live-opnames, The Beatles waren in concert weliswaar een opwindend, lekker rockbandje, maar in de studio-opnames zit hun genie.