Op kraamvisite bij het babyolifantje

jannetjekoelewijn0v2

Bij de ingang van Artis staan twee jongens te colporteren voor de Postcode Loterij. „Komt u voor het olifantje? Heeft u al een vipkaart?” Het meisje achter de kassa vraagt of ik voor 2 euro extra een plattegrond wil kopen. „U steunt daarmee het nieuwe olifantenverblijf.”

De jongen die de toegangskaarten controleert zegt tegen een grootvader en zijn kleinzoon dat ze om 11 uur naar het olifantje kunnen gaan kijken. „Maar niet als de moeder onrustig is”, zegt hij. „En er worden maar tweehonderd mensen toegelaten.”

Het is kwart over tien, dinsdagochtend, ruim veertig uur na de voorspoedige bevalling. „Dan gaan we daar maar vast naartoe”, zegt de grootvader.

„Mag ik het olifantje aaien?”, vraagt de kleinzoon.

De grootvader denkt van niet.

‘Met uw steun’, staat op een affiche halverwege, ‘geeft Artis het parkeerterrein aan de olifanten terug.’ Daarbij een foto van een moeder met haar jong. „Is dat het nieuwe babyolifantje?”, vraagt een meisje aan haar moeder. Die schudt nee. „Dat was het vorige babyolifantje”, zegt ze. „Die is dood.”

„Dood?”, vraagt het meisje. „Gaat de nieuwe ook dood?”

„Misschien wel”, zegt haar moeder. „Misschien niet.”

Om half 11 staan er dertig mensen in de rij voor de olifantenstal. Om 5 over half 11 zijn het er zestig. Om kwart voor 11 honderdvijftig. Een moeder, ze spreekt Engels, zegt tegen haar dochtertje: „Zou het niet leuk zijn als ze het babyolifantje Oriane noemen?” Het dochtertje heet Oriane, haar naam staat op de buggy. Een andere moeder, zij spreekt Spaans, zegt tegen haar zoontje dat het nu echt niet lang meer duurt. Ze geeft hem een cracker. Twee crècheleidsters, het haar verborgen onder hoofddoeken, zingen een liedje met de acht peuters die ze bij zich hebben. „En als we straks binnen zijn”, zegt een van de leidsters, „dan wil ik dat jullie heel goed…” Ze wijst naar haar oor. De kinderen roepen: „Luisteren.” Nu wijst de leidster naar haar mond. „En ik wil ook dat jullie…” De kinderen, joelend: „STIL ZIJN.”

Om 11 uur gaat de deur van de stal open, de eerste vijftien mensen mogen naar binnen. Het is er donker. Het ruikt er zwaar naar mest. Moederolifant Thong Tai en haar elfjarige dochter Yindee staan met hun konten naar het publiek gekeerd. Ze flapperen met hun oren. Thong Tai, haar kalf bijna onzichtbaar tussen de voorpoten, begint luid te trompetteren. „Oe”, zegt een jongetje, zijn hoofd tegen de knieën van zijn vader gedrukt. „Ik ben bang. Ik wil weg.” Na een minuut wordt iedereen weer naar buiten geloodst. Daar staan nu honderden mensen te wachten.