Cultuur

Interview

Interview

‘Ik heb redelijk leren leven met mijn lichaam’

Wart Kamps (39) schreef en speelt De Goede Richard III. Een nieuwe, serieuze stap na zeventien jaar absurdistisch cabaret. ‘Ik moest ontdekken wie ik was zonder Tim.’

Toen in 2012 onder een parkeerplaats in Leicester het skelet werd gevonden van de Britse Koning Richard III, ontdekte Wart Kamps (39) een bijzondere gelijkenis. Richard III, door Shakespeare vereeuwigd tot één van de bekendste en wreedste Britse machthebbers uit de Middeleeuwen, had dezelfde rugafwijking als hij: scoliose. „Als je de foto van zijn geraamte naast een röntgenfoto van mijn rug zou leggen, ziet dat er precies hetzelfde uit: een grote bocht in de ruggengraat. Daarbij was hij ongeveer mijn leeftijd, we zijn even groot, 1,66 meter maar, en hij had hetzelfde, beetje fragiele postuur. Al was hij denk ik wel sterker, want hij kon goed vechten op het slagveld.”

Die ontdekking bracht een mythische historische figuur ineens heel dichtbij. „Zoals wanneer je leest dat farao’s ook gewoon gaatjes hadden.” Toen twee jaar later een einde kwam aan het cabaretduo Kamps & Kamps, samen met zijn eeneiige tweelingbroer Tim (daarvoor Rooyackers, Kamps & Kamps), kreeg zijn belangstelling voor Richard III alle ruimte. „Toen ben ik gaan lezen, biografieën, historische studies, en bleek Richard III niet de slechterik die Shakespeare van hem gemaakt heeft. Het was een eenzame man met een fysieke beperking die koning werd tegen wil en dank, en geprobeerd heeft er het beste van te maken, terwijl iedereen om hem heen stierf. En dan word je 500 jaar later, als gevolg van zeer succesvolle fictie, herinnerd als sadistische vrouwen- en kindermoordenaar. Dat vond ik zielig.”

Hoe raakte de fysieke verwantschap je?

„Shakespeare heeft van hem een gebochelde gemaakt, met ook nog een verlamd handje en een mank been. En lelijk. Terwijl hij alleen maar scoliose had. Ik ben op school met gym ook wel uitgescholden: ‘hé, jij hebt een bochel!’, omdat mijn schouderblad een stukje uitstak. Dus ik herkende dat wel, ja, die lelijke uitvergroting van een fysieke beperking. Vrienden zeiden al dat deze rol mij letterlijk op het lijf is geschreven.”

Het is ook een persoonlijke revanche?

„Niet zo rechtstreeks hoor, nee, ik heb inmiddels redelijk leren leven met mijn lichaam; ik ben ook aan mijn ruggengraat geopereerd. Maar ik heb wel nog altijd sympathie voor de outsider, de underdog, die zijn best doet maar slachtoffer wordt van de omstandigheden. Shakespeare schreef dat Richard zijn vrouw Anne vergiftigde, terwijl zij stierf aan tuberculose, en hij van haar hield. Dat is gewoon wreed.”

Wreed? Het is ook gewoon fictie.

„Eendimensionale fictie. Eigenlijk is het niet eens zo’n goed stuk. Shakespeare wilde een metafoor voor de perversie van de macht schrijven, een waarschuwing aan het volk, en heeft Richard daarvoor gebruikt. Daarom is het ook zo’n flat charachter; hij heeft nauwelijks psychologische diepgang. Stel je voor dat iemand over honderd jaar een stuk schrijft over Willem-Alexander als moorddadige gek, en dat dát is wat we onthouden, vijfhonderd jaar later nog. Terwijl Richard III een paar heel verlichte wetten heeft doorgevoerd. Hij heeft zelfs de boekdrukkunst gestimuleerd, dus in zekere zin ook nog bijgedragen aan zijn eigen lot. Die tragedie spreekt mij aan.”

Dat is nogal een stap, van zeventien jaar razendsnel absurdistisch cabaret, naar de tragedie, al kan er volgens Kamps ook best zo nu en dan gelachen worden. „Toen we stopten met Kamps & Kamps was ik echt even bang dat ik alleen maar cabaret kon. Ik ben er op mijn twintigste mee begonnen en heb mijn hele werkende leven niks anders gedaan. Maar ik was er echt klaar mee: het scoren, het idee dat mensen moeten lachen. Nu mogen ze lachen, maar het hoeft niet, want de basis is het verhaal dat ik vertel.”

Was het moeilijk om jezelf na al die jaren als cabaretier opnieuw uit te vinden?

„Nou, het einde van ons duo was nogal abrupt. Nadat Bor Rooyackers ermee was gestopt, heb ik samen met Tim nog twee goede programma’s gemaakt, maar bij het derde was het op. We hadden elkaar niks meer te vertellen op het podium, de noodzaak ontbrak, we maakten heel veel ruzie. Ons derde programma hebben we toen afgeblazen. Dat voelde als een enorme afgang, en daarna volgde wel even een zwart gat, ja.”

Ook omdat een einde kwam aan een intensieve samenwerking met je tweelingbroer?

„We hadden een compleet symbiotische relatie, privé en professioneel. Daar moesten we allebei los van komen, om onze eigen identiteit te ontwikkelen; we moesten volwassen worden in de relatie. Dat is een pijnlijk maar noodzakelijk proces, dat meestal bij tweelingen veel eerder plaatsvindt. Bij ons duurde het wat langer, omdat we 17 jaar zo intensief zijn blijven samenwerken. Ik moest echt ontdekken wie ik was en wat ik kon zonder Tim.”

En?

„Inmiddels denk ik dat ik meer de acteur ben van ons twee, en hij meer de maker/schrijver/regisseur – in Missie Aarde regisseert hij mij. Ik heb ontdekt dat ik door wil in het toneel: ik wil acteren en mooie rollen spelen. Bij toeval, via via, belandde ik in de kerstproductie Moord in de Kerststal van het Ro Theater. Daarna volgde een hoofdrol in De zere neus van Bergerac, waarvoor ik nota bene een Musical Award kreeg. Die staat thuis prominent op de vensterbank. Ik ben een self-made artiest, zonder toneelopleiding, dus dat zo’n jury mij bekijkt en oordeelt dat het goed is, betekent veel. Ik heb geen diploma, geen papier waarop staat: jij bent acteur! Maar laatst, op de fiets, besefte ik opeens dat ik dat nu best over mezelf mag zeggen.”

Ben je een goed acteur?

„Dat moeten anderen maar over mij zeggen. Mijn regisseur, Bram Jansen vindt me goed, haha. En Pieter Kramer van het Ro. De jury van de Musical Awards; allemaal mensen die er verstand van hebben. Ik heb in mijn jeugd veel jeugdtheater gedaan, bij het Hofpleintheater in Rotterdam. En ons cabaret bestond vaak ook uit toneelstukjes, met personages. Als je mij een pruik opzet of een pakje aantrekt, dan verdwijnt een soort gene en kan ik transformeren.”

Is er als oud-cabaretier voor jou niet continu de valkuil van de grap, de ironie, de ridiculisering?

„Ik ben getraind om de lach te oogsten, tuurlijk. Maar ik leer. Tijdens de repetities van De zere neus moest ik tegen mijn tegenspeelster zeggen: ‘ik hou van je’, en ik kreeg dat níet geloofwaardig over mijn lippen, zonder zelfspot, zo onder dat tl-licht. Maar na vijf, zes, zeven keer, en met een pruikje op, lukte het toch. Een vermomming helpt mij echt. Met een masker op is het minder eng. Ik heb een haat-liefdeverhouding met het podium. Vlak voordat ik op moet denk ik altijd: waarom doe ik dit? Ik wil naar huis, laat me met rust! Maar als ik op ben valt dat van me af en kan ik genieten.”

Ben je je, als je speelt, erg bewust van je fysieke beperking?

„Ik heb er ook mijn kracht van gemaakt. Het werkt op toneel, omdat ik een aparte motoriek heb. Ik heb een pin in mijn rug, die daardoor vrij stijf is, maar mijn armen zijn weer heel beweeglijk. Ik heb ook vrij lange armen, in verhouding tot mijn romp – Richard III had dat ook, en dat ziet er grappig uit. Ik heb er humor door ontwikkeld, zelfspot, een vorm van bescheidenheid – ik zal niet snel ijdel worden. Misschien maakt dat ergens je karakter mooier. Maar soms kan ik mezelf nog echt grotesk vinden. Ik hou heel erg van symmetrie: mijn huis heb ik bijvoorbeeld heel symmetrisch ingericht; dat klopt gewoon. Mijn lichaam heeft dat niet, en dat vind ik erg. Tegelijk heb ik altijd de drive en het zelfvertrouwen gehad om op het podium te gaan staan. Daar zit iets heel dubbels in: kijk niet naar me. Nee, kijk naar me.”

De Goede Richard III. Première 21/10, Toneelschuur Haarlem. Zie: allesvoordekunsten.nl