Recensie

Iedereen is maanziek

Biografie

Over 50 miljard jaar is het getij verdwenen. Tijd om het in een boek vast te leggen: van Newton tot en met getijde-app.

Vlieland, 2015.

Als zijn schip wordt getorpedeerd, spoelt luitenant Martin aan op een eenzame rots en begint al snel te hallucineren. Zo denkt hij dat de rots door het water klieft, als de boeg van een schip. Maar dan realiseert hij zich dat het de zee is die langs de rots stroomt. ‘Het tij is een grote golf die over de aardbol trekt – of nee, de aardbol draait onder het tij door’, laat William Golding hem denken in zijn roman Pincher Martin (1956).

De aarde die onder een golf doordraait; in zijn algemeenheid klopt het. In 1637 beschreef Isaac Newton als eerste het krachtenspel tussen maan, zon en het water op aarde dat verklaart waarom het twee keer per dag eb en vloed is (en de cyclus na een dag een uur later valt).

Niet dat Newtons model ook maar in de buurt kwam van precieze getijde-voorspellingen. Daarvoor is de interactie tussen kosmische krachten en de zeeën, die elk op hun eigen wijze klotsen, te gecompliceerd.

Natuurkundigen begonnen te zien dat elke getijdegolf een optelsom is van allerlei ‘deelgolven’, zoals een ‘grondtoon’ met ‘boventonen’ bepalen hoe een muziekinstrument klinkt. Naast de tweewekelijkse maancyclus spelen ook de ellipsvormige baan van de maan en de stand van de aardas mee.

Pas in de negentiende eeuw lukte het om lokale meetgegevens van eb en vloed te koppelen aan die ‘harmonische componenten’. Toen was het nog een kleine stap naar de machines met hun messing tandwielen en katrollen die het tij voor langere periodes konden voorspellen, tot op de minuut nauwkeurig. Pas rond 1970 nam de computer het over. En nu heb je een wereldwijde getijde-app voor een paar euro.

Het is een populair non-fictie-genre: de biografie van een fenomeen. Longitude (1995) van Dava Sobel, over plaatsbepaling vóór het gps-tijdperk, zette de toon; onder meer Mark Kurlansky’s Cod, ‘de biografie van een vis die de wereld veranderde’ en Alexander Monro’s geschiedenis van papier volgden.

Gefrustreerde Aristoteles

En nu is er Het getij. Wijsheid en wetenschap van eb en vloed, een wervelende biografie van ‘de machtigste kracht op aarde’, die nu in een uitstekende vertaling is verschenen. De Brits-Amerikaanse journalist Hugh Aldersey-Williams (1959) laat zien hoe wetenschappers er uiteindelijk in slaagden de kast van dat grote uurwerk open te breken. Theoretische passages wisselt hij af met anekdotes, wat de vaart erin houdt en ervoor zorgt dat de lezer fris blijft.

Voor dit boek bezocht hij de Griekse zee-engte met zijn grillige getij waarin een gefrustreerde Aristoteles zich zou hebben verdronken. Laatste woorden: ‘Als ik jou niet kan vatten, moet jij mij vatten.’ Hij zoekt de Maalstroom bij de Noorse Lofoten, die ‘harder brult dan een waterval’, maar moet vaststellen dat die zich ergens ‘tussen feit en fictie’ bevindt. En hij gaat kijken in de Fundybaai in Nova Scotia, met de hoogste getij-verschillen ter wereld (zestien meter). Maar voor alles is dit een Brits getijdenboek. Het opent met een zeiltocht bij het eiland Wight en een bijna-botsing met een boei die niet van zijn ramkoers lijkt af te brengen. Er is een meditatiever beschrijving van een complete tij-cyclus in Norfolk. ‘Boten gaan weer drijven en onder hun kiel klinkt een schraperig, borrelend geluid. Ik kijk hoe de vloed een pootafdruk van een meeuw op de schuine modderige oever vult.’ Aldersey-Williams gaat ook naar Southampton, waar koning Knoet de zee ooit het bevel gaf op te houden met stijgen. Lachen. Maar zijn punt was natuurlijk dat een aardse koning zich niets moet inbeelden. Tide and time wait for no-one, luidt het gezegde.

Dat is geen vrijblijvende wijsheid. In 2004 werden twintig Chinezen die illegaal kokkels raapten in de baai van Morecambe, bij Liverpool, ingehaald door het tij en verdronken, mogelijk in drijfzand. ‘Dat komt niet alleen in avonturenfilms voor’, noteert hij droog als hij er gaat wadlopen.

Maat der dingen

In de Pentland Firth, bij de Orkney Islands, beginnen dezer dagen onderzeese turbines stroom op te wekken. Of getij-energie ooit kan concurreren met wind, zon of aardwarmte is de vraag. En toch is het een ‘machtige kracht’. Er is een fascinerend hoofdstuk over dieren en andere organismen die een dubbele klok bijhouden: die van dag en nacht, en die van het getij. Misschien is de mens ook wel vanouds maanziek. Voor zeevaarders en kustbewoners was het getij altijd de klok. Ooit heeft technologie tijd en getij gescheiden, opperde de reisschrijver Jonathan Raban. ‘Misschien kwam het door de uitvinding van het uurwerk dat het abstractere concept van tijd het aardse idee van getij bij veel mensen de maat van de dagen heeft vervangen.’

En tenslotte is er de ontnuchterende gedachte dat het getij niet vanzelfsprekend is. Want bij elke cyclus gaat een beetje energie verloren uit de wrijving van water en land. Daardoor draait de aarde elke keer iets langzamer. Totdat de rotatie zo synchroon loopt met de maanbaan dat de aarde altijd dezelfde kant naar de maan houdt gekeerd. Dan verdwijnen de getijden. Maar gelukkig is dat pas over vijftig miljard jaar.