Opinie

Eén tuinboon maakt nog geen erwtensoep

Marokko

Als straks de generatie van zijn ouders in een kist is teruggekeerd naar hun bergdorpje, verdwijnen duizenden Berber-spreekwoorden en -gezegden. Daarom schreef ze op. Want: De slechtste inkt is beter dan het beste geheugen.

Illustratie Fleur van der Weel

Ik parkeerde m’n ezeltje in de schaduw van een muur en stapte af. Het dorp lag aan de voet van een heuvel niet ver van de Alboránzee. Hoewel ezels nooit verdwalen (ik geloof dat TomTom zijn software op ezelhersenen baseert) moest ik opschieten. De schemer trad al in en de batterijen van m’n bandrecorder waren bijna leeg. Omar Bouiwzan, een stokoude grijsaard (leeftijd onbekend) die nog nooit een ziekenhuis van binnen had gezien, hem zocht ik. Hij was mij getipt door mensen die wisten waar ik mee bezig was: het verzamelen van oude Berberspreuken en -verhalen. Het werd later en later bij mijnheer Bouiwzan. Ik moest mee eten. Buiten was het pikdonker. Hij liet me niet gaan. Ik moest blijven slapen. De volgende morgen sjokte ik op m’n ezeltje terug naar de stad. Met een bandrecorder vol juwelen.

Wie probeert te visualiseren wat er de afgelopen jaren in de krantenkolommen en actualiteitenrubrieken over Marokkaanse Nederlanders te berde is gebracht, ziet een wand van duizend gezichten. Geen volk dat zo binnenstebuiten is gekeerd als deze groep. Hele studies zijn over ze gemaakt, dure conferenties, academici die op ze promoveerden, karrenvrachten aan columns en opinieartikelen. Zelfs trakteerde de Tweede Kamer ons op een echt ‘Marokkanendebat’. Onderhand heeft elke Zeeuw en Brabander een mening over ze, goed- of kwaadschiks. De een roemt zijn vaardige pen, de ander zijn kickboks- en voetbalkunsten. En weer een ander krijgt tabak van het geklier, gesnaai en het gehang aan Allah’s rokken.

Maar het belangrijkste komt weinig in zicht: het leeuwendeel van de Marokkaanse Nederlanders is van bijzondere origine: Berbers, de oorspronkelijke bewoners van Marokko. Afstammelingen van een grote, oude beschaving die zich uitstrekte van Zuid-Mauritanië tot aan de Egyptische oase Siwa en van de Middellandse Zeekust tot aan Zuidelijk Sahara.

Sinds de internationale pers gewag maakte van de weerzinwekkende moord op visverkoper Mohsin Fikri (vermalen in een vuilniswagen) en de daaropvolgende rellen en hardhandige arrestaties, weten velen nu ook dat Berbers sinds jaar en dag een tweederangs volk vormen in eigen land.

Schitterende wijsheden, gezegden, verhalen, sagen, raadsels, elegieën, hymnen – wie behoudt ze voor het nageslacht?

Deze inferioriteit is begonnen toen het Arabische expansieleger in de zevende eeuw Noord-Afrika binnenviel. De Arabieren droegen in de rechterhand de Koran en in de linker een zwaard. De Berbers moesten knielen voor Allah terwijl ze nog nooit van Allah hadden gehoord. De Berbers geloofden in de zon, de wind, de sterren, vogels. Ze keken naar de hemel en zagen spreeuwen zijwaarts vliegen en wisten dat er storm op komst was.

Na rivieren van bloed gaven de Berbers zich uiteindelijk gewonnen. Ze spreidden het kleedje richting Mekka en baden tot Mohammed en Zijn Schepper. De Arabiseringpolitiek die erna volgde (en tot vandaag voortduurt) stond aan de wieg van iets noodlottigs: het oeroude Berberschrift (Tifinakh) werd vakkundig onder de rotsen begraven. Enkel het schrift van het heilige boek, de Koran, was toegestaan. Met als gevolg dat vandaag de dag, behalve een handjevol academici en romantici, vrijwel niemand meer het Berberschrift beheerst.

Dit grafische gemis is precies de reden waarom alle kennis die Berbers sinds eeuwen vergaarden, over planten en dieren, over poëzie, muziek en liederen, over sprookjes en legenden, over genees- en toverkunsten, over recepten en kooktradities uitsluitend mondeling is overgedragen; van vader op zoon, van moeder op dochter. De hersenpan van de Berber is een duizelingwekkend archief zonder één snippertje papier – maar niet één niet-Berber heeft hier toegang toe. Want wie niet als Berber is geboren, wie deze lastige, ongrammaticale taal niet met de paplepel kreeg binnengestampt, die zal het nooit kunnen beheersen. Dus blijft de Berber een groot raadsel. Een niet te doorgronden volk.

Als taal de spiegel is van de ziel, is er dan een betere kennismaking denkbaar dan via het hart van de taal: spreuken en spreekwoorden. In dat hele pakket van oude lessen en wijsheden schuilt het wezen van een volk; zijn inborst, zijn geloof, de humor, levensfilosofie, zijn dwaasheid. Er is immers geen kant van het menselijk bestaan waarover niet op een of andere gevleugelde wijze de mens zijn licht liet schijnen. Miguel de Cervantes, de schrijver van Don Quichot, zei het treffend: „Een spreuk is een korte uitspraak die berust op lange ervaring.”

Wie behoedt ze voor de vergetelheid?

Toch drong het pas rond m’n veertigste tot mij door dat als straks mijn ouders (en met hen een héle generatie) in een kist terugkeren naar hun dorpje in de bergen en in een diep, donker familiegraf verdwijnen, daarmee ook duizenden taalschatten roemloos verloren gaan. Schitterende wijsheden, gezegden, verhalen, sagen, raadsels, elegieën, hymnen – wie behoudt ze voor het nageslacht? Wie behoedt ze voor de vergetelheid? In elk geval niet onze openbare bibliotheken. Want daar vond ik heel wat exotische spreekwoordenboeken, uit Mongolië, China, Rusland, Arabië, maar van de bevolkingsgroep die zo ongeveer dagelijks het middelpunt vormt van onze multiculturele opwinding was in de archiefkasten geen spoor te bekennen.

Dus besloot ik het heft in eigen hand te nemen. Zeven jaar lang doolde ik als een troubadour sjokkend op een ezel door mijn geboortestreek. Op zoek naar oude taalschatten. Om ze op schrift te stellen én te vertalen naar het Nederlands. Gewapend met notitieblok en bandrecorder bezocht ik de meest afgelegen dorpjes. Ik dronk muntthee in gammele koffietentjes en speelde dam- en kaartspelletjes; ik kocht druiven en duiven op markten; ik hielp stokoude boeren met olijven plukken; ik bezocht bruiloften van nichten en neven – en telkens weer stelde ik dezelfde, simpele vraag: kent u misschien een oud spreekwoord? Eindeloos laafde ik mij aan de parels die mij in de schoot werden geworpen. ‘Vrouwen en vissen zijn het best in het midden.’ ‘Waar de naald gaat, daar volgt de draad.’ ‘In een gesloten mond komen geen vliegen.’ ‘Reeds jong herken je de ram in een lam.’ ‘Wie kip eet, heeft veren op z’n kop.’ En zo nog een paar honderd. Soms kreeg ik die parels ongevraagd, zoals toen een zakkenroller met enkele fikse oorvijgen in de kraag gevat werd, iemand minzaam opmerkte: „Wie zijn handen in holen steekt, wordt gebeten door de slang.” Of toen een oud voddenvrouwtje weggejaagd werd bij een grenspost terwijl een glimmende BMW moeiteloos doorreed: „Geld opent alle deuren, behalve de hemelpoort!”

Verrukt was ik toen ik ontdekte dat heel wat uitdrukkingen ook terugkomen in het Nederlands. ‘Wie honing wil, moet bijensteken verdragen’, ‘Blaffende honden bijten niet’. Of: ‘Kijk een gegeven paard niet in de bek.’

Je vraagt je af: wie bevruchtte wie?

De Romeinen, de Vandalen, de Byzantijnen, al deze brute indringers probeerden de Berbers op hun knieën te dwingen. Maar keer op keer wisten de Berbers ze te verjagen. Tot de Arabieren kwamen. Die waren uiteindelijk te machtig. En na de kolonisatie door Franse en Spaanse legers zijn de afstammelingen verstrooid over alle delen van de wereld. De wind en de moderne tijd hebben veel moois weggevaagd. Maar goddank niet alles. Want wie zich werkelijk verdiept in het Berbervolk en zijn uitzonderlijke lexicon en kronieken, zal ontdekken dat de poëzie en het temperament nog lang niet is verflauwd, de felheid beslist niet is uitgeblust, de trots en anarchistische geest niet zijn onderdrukt, de verachting jegens elk knevelend bewind nog lang niet is getemd, getuige de recente vurige protesten in de Rif, onder leiding van de gevangen genomen Nasser Zefzafi.

Dit is al fraai genoeg, maar misschien is het volgende nog fraaier. Het idee dat onze soort, Homo sapiens, tweehonderdduizend jaar geleden is ontstaan in Ethiopië is flink achterhaald. In juni vorig jaar maakte een spectaculaire archeologische vondst duidelijk dat de Homo sapiens maar liefst honderdduizend jaar eerder voorkwam. De oudste fossiele botresten van vroege moderne mensen zijn gevonden in Jebel Irhoud, een grot ten westen van het huidige Marrakech, Marokko. In den beginne was het Woord en het Woord was bij God – maar de eerste mens was dus Berber. Ik wil maar zeggen: Wir sind alle Berber.