Recensie

Een Mahler om van op te veren

Yannick Nézet-Séguin Foto Andreas Terlaak

Op de finale van Mahlers Eerste symfonie volgde een staande ovatie. Geen halfslachtige, maar een vrijwel unaniem eerbetoon. Natuurlijk, de bijna kinderlijke verrukking van dat einde doet je ook bij een middelmatige uitvoering opveren, maar uit dit collectief opstaan sprak vooral een groot respect voor de dirigent: Yannick Nézet-Séguin.

Het voelt alsof de Canadees gisteren de Doelen binnenwandelde, gretig en on-Rotterdams enthousiast, maar in 2018 zit zijn chefschap in Rotterdam er alweer op. Hij heeft het orkest dan tien jaar onder zijn hoede gehad. Dat er in die tijd wel wat veranderd is, is te zien als je plaatjes googelt van zijn aantreden (meer haar, nog geen designerpakken). Of als je zijn tourschema bekijkt (hij leidt internationale toporkesten en verkast na Rotterdam naar de Metropolitan Opera in New York). Maar het is bovenal te horen. Want wat verkeert het Rotterdams Philharmonisch toch in een goede staat. De afstand tot de onbereikbare rivaal, het immer bewierookte Concertgebouworkest, was zelden zo klein.

Was het een perfecte ‘Mahler 1’? De nevel in het openingsdeel werd erg snel opgetrokken: het delicate klankbed wordt al snel teniet gedaan door de ‘aardse’, wat harde inzet van hobo en fagotten.