Opinie

Zorgen genoeg, maar de euro blijft

Jeroen Dijsselbloem

De euro afschaffen, zoals Nobelprijswinnaar Stiglitz wil? Nee, zegt Jeroen Dijsselbloem. „Het eurogebied staat er beter voor dan voor de crisis”.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Met belangstelling volg ik de tournee van professor en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz door Europa ter promotie van zijn nieuwe boek over de euro. Daarin beweert hij dat Europa ten onder gaat als we het huidige beleid met de gezamenlijke munt blijven volgen. Ik denk dat zijn analyse tekortschiet en zijn conclusie hierdoor niet klopt. Ik beweer niet dat alles soepel loopt in Europa, maar de oplossing is niet „de euro afschaffen om de EU te behouden”. De oplossing is de economische problemen in Europa aanpakken zodat het herstel van onze landen verder doorzet.

De euro was uiteindelijk een keuze van politici. Begrijpelijk, gezien de behoefte aan politieke eenheid na de val van de Muur, maar er kleefden wel economische risico’s aan de introductie van een gezamenlijke munt.

Vaak wordt het verlies van het wisselkoersmechanisme gezien als het voornaamste risico van een muntunie. Ik deel deze mening niet. De wisselkoers is een nuttig aanpassingsmechanisme om conjunctuurschokken tussen landen op te vangen. Uit onderzoek blijkt echter dat de conjunctuur in eurolanden nauwelijks uiteenloopt. Daarbij doen devaluaties niets aan structurele zwaktes in economieën van landen. Als er al een effect is, is het van korte duur.

Als we teruggaan naar de introductie van de euro zien we dat het probleem niet lag bij het verlies van de wisselkoers. Het probleem was dat financiële markten geen onderscheid maakten in risico’s tussen lidstaten, terwijl het groeivermogen van lidstaten enorm uiteenliep. De beschikbaarheid van goedkoop krediet leidde in Ierland en Spanje tot opbouw van zeepbellen op de huizenmarkt. Ook in Griekenland en Portugal namen kredietverlening en consumptie toe en stegen lonen sneller dan productiviteit. Renteverschillen verdwenen, terwijl verschillen in concurrentievermogen toenamen. De lage rentes leidden tot veel krediet dat nauwelijks werd geïnvesteerd in productieve sectoren. Toen de financiële crisis uitbrak, explodeerden de rentes. Overheden zagen zich genoodzaakt banken te redden.

Stiglitz ziet de gunstige economische ontwikkeling van niet-euroland Zweden als bewijs voor zijn stelling dat juist de euro groei in de weg zou staan. De Zweedse economie deed het inderdaad goed, maar de economische ontwikkeling van niet-euroland Noorwegen is sinds 1999 vergelijkbaar met die van het eurogebied, terwijl de economische ontwikkeling in Denemarken zelfs achterblijft.

Zweden is om nog een andere reden een interessant voorbeeld: het laat zien dat de schuldgedreven groei die zich voor de crisis in het eurogebied voordeed niet uitsluitend binnen muntunies plaatsvindt. Zweden kende begin jaren 90 ook een bubbel op de huizenmarkt die gevolgd werd door een financiële crisis. De overheid greep in om de Zweedse banken te redden. Hiermee laat dit voorbeeld zien dat de opbouw van financiële onevenwichtigheden ook buiten een muntunie kan plaatsvinden.

De conclusie is daarom dat niet de gezamenlijke munt, maar nationale economische omstandigheden en instituties om opbouw van financiële onevenwichtigheden te beperken doorslaggevend zijn.

De muntunie kon niet ingrijpen bij slecht nationaal beleid en was niet voorbereid op een zware crisis. Toezicht op de bankensector was inadequaat en er was geen goed raamwerk voor banken- en schuldencrises. Toen banken in de problemen kwamen, werden ze gered met publieke middelen, waardoor de staatsschuld in verschillende landen sterk opliep.

Sinds de crisis zijn echter belangrijke stappen gezet. Eerst met de Europese noodfondsen. Met de oprichting van de bankenunie is het bankentoezicht aangescherpt om opbouw van kwetsbaarheden te voorkomen. Daarnaast is een raamwerk voor herstel en afwikkeling van banken in problemen opgebouwd. Sinds de bankencrisis in Cyprus is bail-in de norm: investeerders krijgen de rekening wanneer een bank in de problemen komt. Op die manier hebben zij een prikkel om risico’s juist te beprijzen en hoeft de belastingbetaler niet op te draaien voor de kosten van het redden van een bank.

Lidstaten hebben daarnaast voortgang geboekt met structurele hervormingen die het groei- en aanpassingsvermogen vergroten.

Zo heeft Spanje arbeidsmarkthervormingen doorgevoerd die volgens de OESO resulteerden in 25.000 nieuwe banen per maand. Op de ranglijst van de Wereldbank van landen met een goed ondernemersklimaat steeg Griekenland van een 190e plek in 2010 naar een 60e in 2016. Overheidstekorten zijn daarnaast verder teruggebracht naar 1,6 procent dit jaar. Om begrotingen ook op langere termijn op orde te krijgen en buffers op te bouwen voor nieuwe economische schokken zijn de begrotingsregels aangescherpt.

Is alle kritiek dan ongegrond? Zeker niet. Er zijn fouten gemaakt bij het bestrijden van de crisis. We zijn niet goed omgegaan met het aanpakken van problemen in de financiële sector. Midden in een financiële orkaan was er onder beleidsmakers begrijpelijkerwijs grote bezorgdheid over besmettingseffecten op financiële markten. Maar we hadden de financiële sector toch voortvarender moeten aanpakken. Waar banken in de VS gedwongen werden om zich te herkapitaliseren stond herstel van de bankensector in Europa te laag op de agenda. En in Griekenland had de publieke schuld in private handen al in 2010 geherstructureerd kunnen worden. Nu vond pas in 2012 een herstructurering plaats. Hier zijn lessen geleerd, weeffouten in de muntunie zijn erkend en het eurogebied staat er sindsdien veel beter voor dan voor de crisis.

De crisis heeft desondanks littekens nagelaten. Hoewel de werkloosheid in het eurogebied de afgelopen jaren is afgenomen, ligt deze in veel landen nog op een te hoog niveau.

En er wacht nog meer werk, nodig om de muntunie stabieler te maken en om verder de voorwaarden te scheppen voor groei en werkgelegenheid. Bij de banken zijn meer maatregelen nodig om risico’s terug te dringen. We moeten de toegang tot financiering voor bedrijven verbeteren en belemmeringen voor investeringen wegnemen. Overheidsuitgaven moeten de groei versterken, vooral op die terreinen waar we gelijke kansen voor iedereen kunnen bevorderen, zoals in het onderwijs. En we dienen onze begrotingen op orde te brengen.

Zo houden we ons unieke Europese sociale model overeind, met ook in de toekomst betaalbare zorg- en pensioenstelsels.

Er ligt dus nog veel werk maar er is niettemin voldoende reden voor professor Stiglitz om met een vrolijker gemoed door Europa te reizen.