Column

We leven in een ‘middenwereld’

‘Beter leef je, Licinius, als je niet steeds/ hoge zeeën uitkiest en niet te angstig/ storm ontwijkend dicht op de kustlijn aanhoudt/ vol van gevaren”. Jajaja, Horatius (hier in de vertaling van Piet Schrijvers) wist het wel: de gulden middenweg, auream mediocritatem, die moeten wij beminnen. Het is hem eeuwenlang en tot vervelens toe nagezegd, en daarbij veranderde dat gouden midden toch min of meer in een dulle middelmatigheid, niet te warm, noch te koud, middle of the road. En wij maar op zoek naar sensaties, wel degelijk hoge zeeën willen we, of gevaarlijk dicht langs de kust varen, écht leven, alles meemaken, stranden, schipbreuk leiden, kom maar op.

In theorie dan. Want de meesten gestranden verzuchten toch niet: „maar ik lééf tenminste”.

Ik ben eerlijk gezegd diep overtuigd van de waarheid van Horatius’ formulering. Het midden is van goud. Het is niet saai, het is uiterst moeilijk te vinden. Al die dingen waarnaar we zo vaak verlangen: evenwicht, rust, wijsheid, tevredenheid, inzicht, goed leven – ze hebben allemaal meer met het midden te doen dan met uitersten. En natuurlijk wil iedereen wel eens dólgelukkig zijn, keihard schreeuwen, zich te buiten gaan en alle regels aan zijn of haar laars lappen, tuurlijk. Lauw zijn wil niemand.

Maar we zijn het wel, realiseerde ik me weer eens toen ik een toegestuurde beschouwing las van een oogarts over onze waarnemingen. Hij zette uiteen wat we nu eigenlijk zien (en horen, proeven en ruiken) en daarin staan zinnen als: „het komt erop neer dat onze ogen geschikt zijn voor 1 miljoenste deel van het totale spectrum electromagnetische straling. We kijken als het ware door een nauwe spleet naar de werkelijkheid.”

Gammastraling, röntgenstraling, infrarood, radiostraling – het is voor ons allemaal onzichtbaar. Zoals we ook maar een heel klein deel van de materie om ons heen kunnen ruiken, en slechts een honderdste deel van al het geluid kunnen horen: wordt het geluid harder dan beschadigt ons gehoor, wordt het te zacht dan horen we het eenvoudigweg niet meer. Dieren zien en horen heel andere dingen. De honden die de oren spitsen lang voor wij iets horen, de roofvogel die uit de lucht een muisje waarneemt, of zelfs een urinespoor, als ze zouden weten wat wij zien en horen zouden ze om ons lachen. Bioloog Frans van der Helm schreef eens in het tijdschrift Raster over hoe ziende blind wij zijn, maar voegde eraan toe dat we wél goed zijn in diepte zien. Fijn! En, schreef hij „met dat talent zitten we nu hele dagen naar platte beeldschermen te kijken”.

Wij leven in een ‘middenwereld’. Alles wat heel snel of langzaam gaat ontgaat ons. We zien maar een afspiegeling van de wereld, het is eigenlijk precies zoals alle filosofen en religieuze wijsgeren ons altijd hebben voorgehouden. Alleen menen of hopen die altijd dat er een tijd zal komen waarin we niet meer in raadsels zullen zien, maar ‘van aangezicht tot aangezicht’.

Als je daaraan denkt is die raadgeving van Horatius ineens weer een beetje mal. Leven we al in zo’n naar alle kanten afgegrensd wereldje, moeten we daar óók weer het midden houden. Frans van der Helm schrijft: „Er vliegen vlinders rond die waarschuwend flitsen, vogels met haast lichtgevende versiering, en spinnenwebben lichten op in het gras. Dat is een deel van de wereld dat simpelweg aan ons voorbijgaat.”

Het is haast poëzie.

Niet te hevig naar die sensationele werkelijkheid verlangen, het vol verrukking doen met wat we wèl hebben, dat is dan waarschijnlijk weer het gouden midden.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.