Meisjes zijn bevrijd, maar nu dreigt een andere ramp in Nigeria

Terreur in Nigeria

Bevrijding van 21 meisjes door Boko Haram is goed nieuws. Maar door de onveiligheid blijven miljoenen Nigerianen verstoken van noodhulp.

Familieleden van een ontvoerd meisje vieren haar terugkeer in de Nigeriaanse hoofdstad Abuja. Foto AP

Opluchting en dankbaarheid jegens de Heer, zondag tijdens een kerkelijke bijeenkomst in de Nigeriaanse hoofdstad Abuja. Daar werden 21 door de terreurgroep Boko Haram vrijgelaten schoolmeisjes uit Chibok herenigd met hun familie. „Wij danken God dat wij hier bijeen kunnen zijn”, sprak Gloria Dame, een van de meisjes.

Maar ondanks de vreugde over hun vrijlating groeit bij de VN en hulporganisaties de bezorgdheid over de humanitaire catastrofe die zich in het noorden Nigeria ontwikkelt. Het leger heeft Boko Haram fors teruggedrongen, maar de terreurgroep handhaaft zich vooralsnog in afgelegen gebieden, in het Sambisa-woud, in het Mandara-gebergte en op eilandjes in het Tsjaadmeer. Door de onveiligheid kunnen naar schatting 2,2 miljoen mensen niet wordt bereikt voor humanitaire hulp. Een half miljoen kinderen is ernstig ondervoed, ten minste 65.000 mensen in de ‘bevrijde’ gebieden verkeren in acute hongersnood, waarschuwen de VN. In de zwaar getroffen deelstaat Borno dreigen 49.000 kinderen te sterven, zegt Unicef.

De in totaal 276 ‘meisjes van Chibok’ werden in de nacht van 14 op 15 april 2014 weggevoerd uit hun middelbare school in de noordoostelijke deelstaat Borno. Een vijftigtal wist al snel te ontsnappen. Hoeveel van hen nog worden vastgehouden is onbekend, een aantal zou inmiddels zijn overleden. De nu vrijgekomen meisjes hebben de verhalen bevestigd die eerder de ronde deden: dat ze zich moesten bekeren tot de islam, dat ze gedwongen werden met strijders te trouwen en hun kinderen te baren, en dat ze bloot werden gesteld aan de zwaarste ontberingen.

Gloria Dame vertelde zondag dat ze veertig dagen zonder voedsel moest zien te overleven, en dat ze ternauwernood aan de dood was ontsnapt toen de luchtmacht de plek bombardeerde waar ze zich bevond. Een vader vertolkte zijn verscheurende verdriet over de meisjes die met baby’s waren teruggekeerd:

„Moeten we die kinderen doden? Dat kunnen we niet, het zou lijken alsof we onze meisjes niet terug willen. God weet waarom dit is gebeurd. Het is Gods wil.”

Deze zomer werd bekend dat Boko Haram was uiteengevallen: in een groep onder de gewelddadige leider Abubakar Shekau (wiens dood overigens ook werd gemeld) en in een groep die trouw zweert aan Islamitische Staat. Die laatste factie zou de 21 meisjes hebben vrijgelaten, in Banki aan de grens met Kameroen, en ze zou volgens een woordvoerder van president Buhari nog eens 83 meisjes willen laten gaan. Maar hoe de onderhandelingen zijn verlopen en welke voorwaarden zijn gesteld, is niet openbaar gemaakt. Een zegsman van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft slechts bevestigd dat zijn land en het Internationaal Comité van het Rode Kruis „behulpzaam” zijn geweest bij het leggen van de contacten tussen de onderhandelaars. Volgens bronnen in het leger zijn de meisjes geruild voor vier commandanten van Boko Haram – wat in Abuja wordt ontkend.

De paradox van Nigeria is dat het goede nieuws wordt overschaduwd door signalen die wijzen op een groeiende omvang van de humanitaire rampspoed – naarmate meer voorheen ontoegankelijke gebieden in beeld komen. „Het percentage van ondervoede kinderen waarmee we worden geconfronteerd, wordt steeds hoger”, zegt bijvoorbeeld Arjan de Wagt, hoofd ‘voeding’ van Unicef in Nigeria. Analisten wijzen ook op belemmerende bureaucratie en corruptie.