‘Je moet liegen om de waarheid te krijgen’

Viktor Frölke (49) was journalist en werd schrijver. Zijn ‘Dagboek van een postbode’ krijgt veel aandacht maar hij werd er wel op staande voet om ontslagen. PostNL is boos. En nog veel meer mensen.

Foto Merlijn Doomernik

Viktor Frölke is bijna vijftig, voormalig journalist en schrijver van twee romans die goed ontvangen werden, maar nauwelijks werden verkocht. Hij wordt al tien jaar onderhouden door zijn vrouw, die daar weleens genoeg van begint te krijgen. Zij is fotograaf en daar word je ook niet rijk van. Ze wonen met hun twee kinderen (7 en 3) in een oud en klein huurhuis aan de rand van de Rivierenbuurt in Amsterdam. Met een tuin op het zuiden, dat wel.

Om de alimentatie voor zijn zoon van zestien uit zijn eerste huwelijk te kunnen betalen, is Frölke drie jaar geleden postbezorger bij PostNL geworden, voor 250 euro per maand. Maar hij is en blijft een schrijver, dus heeft hij al die tijd een dagboek bijgehouden. En nu dat dagboek is gepubliceerd, lijkt hij eindelijk het succes te krijgen waar hij al 25 jaar op hoopt. Zijn Dagboek van een postbode wordt wél gekocht, en gelezen, en goed beoordeeld. Het radioprogramma Kunststof: ‘Amusant en tragisch.’ RTV Noord-Holland: ‘Hilarisch en filosofisch.’ Spijkers met koppen: ‘Echt een ontzettend leuk boek.’

Alleen zijn de mensen die erin voorkomen wel boos op hem. Niet allemaal, een aantal. Collega’s. Zijn vrouw. Xaviera Hollander, bekend als de Happy Hooker. Ze woont in zijn bezorgwijk en hij sluit een soort vriendschap met haar, waarvan hij in zijn boek nauwkeurig verslag doet. „Ten afscheid druk ik een kus op Xaviera’s zachte wang. Ze trekt zich naar me toe en fluistert: ‘Twee kussen. Altijd twee’.” Zij vindt dat hij haar voor gek zet.

PostNL is ook boos. Zo boos dat Frölke vorige week op staande voet ontslagen is. Al heeft hij nog wel afscheid kunnen nemen, met een glaasje zelfgekochte sauvignon blanc en een plakje zelfgebakken troostcake. „Ik moest op het matje komen bij de regio- en de HR-manager”, zegt hij. „Ze hadden vastgesteld dat ik in een aantal passages de business principles had overtreden. Ze wilden weten of het op waarheid berustte dat ik een Le Monde, die bestemd was voor het Franse Consulaat, mee naar huis had genomen.”

Hij had glashard kunnen volhouden dat hij, als romancier en beroepsfantast, alles uit zijn duim had gezogen. Maar dat vond hij laf. Zijn Dagboek van een postbode, zegt hij, berust van de eerste tot de laatste zin op waarheid. Anders zou het geen dagboek zijn. Dus op alle vragen van de regio- en HR-manager – ‘Pakje met twee boeken erin in de papierbak gegooid? Gemasturbeerd op depot?’ – luidde zijn antwoord ja.

En toch verbazen de reacties hem. „Ik dacht dat er helemaal niks zou gebeuren, net als na mijn twee romans. Je werkt drie jaar aan een boek van 350 pagina’s, en dan – diepe stilte. Geen recensies, niemand die het opmerkt. Dat ken ik. Dit niet. Dit is nieuw voor mij.”

Vanochtend, zegt hij, werd hij gebeld door Govert, met wie hij drie jaar heeft samengewerkt. Govert was depothouder, maar is door toedoen van collega’s afgezet. In het boek beschrijft Frölke de machtsstrijd die daaraan vooraf is gegaan, de jaloezie en het verraad. De namen van de collega’s zijn trouwens wel verzonnen, om het niet pijnlijker te maken dan het toch al is. Frölke: „Govert zei met trillende stem dat hij tot pagina 85 was gekomen en niet meer verder wilde lezen. Hij was ernstig teleurgesteld. Volgens hem was het doorgestoken kaart, wat ik had gedaan.” En toen? „Ja, toen voelde ik wel iets van eh… medelijden.”

Maar sorry, dít had hij toch wel kunnen verwachten? „Ja, ja, en daarom voel ik me tegenover hem en de collega’s… Laat ik het zo zeggen: dit moest in het geheim gebeuren, want als je zegt dat je alles opschrijft, is niemand meer eerlijk. Je moet liegen om de waarheid te krijgen, heel paradoxaal. Maar ik begrijp dat zij zich bekocht voelen.”

Hoe grappig het Dagboek van een postbode ook is, het beschrijft in wezen drie tragedies die met elkaar verweven zijn en het verhaal doen uitstijgen boven het kleine en alledaagse. Er is de tragedie van PostNL, die door het verdwijnen van de brief zijn bestaansrecht aan het verliezen is en ook nog eens wordt beconcurreerd door goedkope nieuwkomers. Frölke: „Ik doe verslag van een uitstervend beroep. Ik ben boekhouder van het verval.”

Door dat verval worden postbezorgers steeds slechter betaald en Frölke laat zien hoe ze de ene na de andere vernedering te verduren krijgen. Afschaffing van de maandelijkse fietsvergoeding van 17 euro, terwijl ze verplicht zijn hun werk op de fiets te doen. Verbod op het plaatsen van stoelen of een koffiezetapparaat in het depot. Voortdurende en volstrekt willekeurige bedreigingen met ontslag door de teamcoach. En ja, in zulke omstandigheden gaan mensen elkaar naar het leven staan. Dat is de tweede tragedie.

De derde is die van Frölke zelf. Zijn dromen zijn niet uitgekomen. Hij verliest zijn status en zijn zelfrespect en vervalt met zijn gezin tot armoede. Als hij weer eens niet kan pinnen bij de bakker wegens saldotekort, moet hij zijn moeder bellen en om geld vragen. „Het allesomvattende thema van dit boek”, zegt hij, „is schaamte. Schaamte – en doodsangst, wat op hetzelfde neerkomt”.

Hij komt uit een familie van ingenieurs en artsen. Zijn broers, hij heeft er drie, doen het goed, een van hen is miljonair, in elk geval op papier. Ook zijn zusje doet het goed en zelf had hij een heel behoorlijke carrière voordat hij besloot te doen wat hij op zijn twaalfde al wilde: schrijver worden.

Hij was de jongste thuis, een nakomertje. Na de middelbare school studeerde hij filosofie, al had de rector hem nog zo gewaarschuwd voor de beroerde arbeidsmarktvooruitzichten die hij daarmee voor zichzelf creëerde. Dat bleek mee te vallen, want op zijn vierentwintigste kon hij beginnen op de economieredactie van NRC Handelsblad.

„En toen”, zegt hij, „is het uit de hand gelopen met mij. Ik had een scoop over de handel en wandel van de Postcodeloterij en dat ontplofte. Het werd een enorme rel, er kwamen Kamervragen. Ik was ervan overtuigd dat die lui van de Postcodeloterij me een kopje kleiner zouden komen maken. Ik raakte in een psychose, mede in gang gezet door het feit dat ik nauwelijks sliep en te veel dronk. Iemand had tegen me moeten zeggen dat ik het allemaal veel te serieus nam”.

Hij bleef een jaar ziek, daarna heeft hij geen psychoses meer gehad. Maar hij raakte wel weer in een crisis toen hij correspondent was in New York en hij scheidde van de vrouw met wie hij toen getrouwd was. Zij ging terug naar Amsterdam en nam hun zoontje van anderhalf mee. Dat was in 2002 en die tweede crisis maakte dat hij uiteindelijk heeft gekozen voor het schrijverschap.

En het leek zo mooi, in het begin. „Er waren wel vijf uitgeverijen, en niet de minste, die me een contract aanboden, voor een boek dat ik nog niet eens had geschreven. Zit je daar te praten onder de portretten van Hermans en Reve. Je denkt: dit gaat goed.” Niet dus.

Wilde hij nou postbezorger worden om geld te verdienen of om te onderzoeken hoe het er bij PostNL aan toe gaat? „Er was geen vooropgezet plan”, zegt hij. „Ik had het geld nodig. Je solliciteert en dan is vanaf dag één alles zo bizar dat je denkt: dit moet ik opschrijven.”

Dat solliciteren gaat via internet en per kerende geautomatiseerde mail krijgt hij het verzoek om online een competentietest te doen. Dat testen is uitbesteed aan een bedrijf dat van zijn rijke broer is. „Wat een verschrikkelijk toeval”, schrijft Frölke. „En hoe pijnlijk. Zou hij weet hebben van deze samenloop van omstandigheden? Onzin, PostNL is een grote klant van hem, die competentietest wordt door duizenden ingevuld. Het laat Broer de Miljonair koud wie die mensen zijn, en de computers van PostNL zullen heus niet denken: wacht eens even, zijn die twee geen familie? En wat dan nog? Een miljonair en een postbode – binnen één gezin. We leven in een vrij land. Steeds vrijer, trouwens.” Helpen zijn broers hem als hij weer eens geen geld heeft? „Nee. Misschien omdat ze een groot vertrouwen in me hebben. Die vent komt er wel.”