Geen dogma’s bij ProRail

nrcvindt

Het kabinet is van plan veelbesproken spoorbeheerder ProRail rechtstreeks onder te brengen bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu. In de ministerraad is hierover vrijdag een voorlopig besluit genomen. Dat deze beslissing er aan zat te komen maakte eerstverantwoordelijk staatsecretaris Dijksma (PvdA) al in juni in de Tweede Kamer duidelijk.

Het besluit betekent dat het kabinet de waarschuwingen van veel bij het spoor betrokken partijen tegen deze stap negeert. Van de zijde van vervoerders, vakbonden en consumentenorganisaties is begin deze maand in een brandbrief gesteld dat het voornemen grote financiële nadelen en veel onzekere gevolgen kan hebben. Welk probleem wordt er hiermee nu opgelost, aldus de vraag van de acht briefschrijvers. Eén van de grote knelpunten was volgens hen de afstand tussen de Nederlandse Spoorwegen, hoofdgebruiker het zeer intensief bereden spoornet, en ProRail dat verantwoordelijk is voor de instrastructuur. Die afstand zou alleen maar groter worden, vreesden zij.

Dat er een probleem is met ProRail kan niemand zijn ontgaan. Daarbij is het goed dat een onderscheid wordt gemaakt tussen het gebruikelijke geweeklaag over niet dan wel of niet op tijd rijdende treinen en het functioneren van de organisatie van het spoor. Het eerste is haast eigen aan een openbaar vervoerder – zie de soortgelijke klachten in het buitenland – het tweede vereist zeer serieuze aandacht van degene die verantwoordelijk is voor het optuigen van deze organisatiestructuur: de overheid dus.

De discussie over ProRail kwam in een stroomversnelling na het debacle met de Fyra hoge snelheidslijn. Daardoor werd duidelijk dat de hybride positie van het verzelfstandigde ProRail één van de hoofdoorzaken was van de totaal uit de hand gelopen situatie. Zoals helaas bijna standaard in dit soort kwesties was ook hier weer sprake van zoekgeraakte verantwoordelijkheden.

Met een frisse blik en met meer politiek raffinement is nieuwkomer Sharon Dijksma als opvolger van staatssecretaris Mansveld vorig jaar met dit erkende Haagse ‘hoofdpijndossier’ aan de slag gegaan. Uitgangspunt voor haar was: waarom een marktpartijachtige opzet in stand houden als de taak volledig publiek is en de financiering eveneens?

Het is geen onzinnige vraag. Marktprikkels heetten ten tijde van de paarse kabinetten in de jaren negentig de toverformule. Het werd daarmee haast een dogma. Het kabinet moet oppassen nu niet in tegenovergestelde dogma’s te vervallen. De waarschuwingen tegen te rigide renationalisatie verdienen serieuze aandacht.