De grote apenhype van de Gouden Eeuw

Kunstgeschiedenis

Schilderijen van aangeklede apen, populair in Antwerpen, lieten het dierlijke en zondige in de mens zien. Bert Schepers promoveerde erop.

Dansende apen in een herberg, een schilderij uit het atelier van David Teniers de Jonge. Het is onbekend waar het werk zich nu bevindt. Foto uit besproken proefschrift

Schilderijen met apen die drinken, dansen, roken, gokken waren heel populair in het Antwerpen van de zeventiende eeuw. Het zijn amusante en speelse taferelen, waarin een moralistische boodschap verpakt zit. De apen laten zien hoe ijdel, onnozel of dwaas mensen kunnen zijn. In de woorden van die tijd: „Wat is ‘t dat m’ in deez’ Waereld ziet? ‘T is Aape-spel, en anders niet.”

De Vlaamse kunsthistoricus Bert Schepers heeft zoveel mogelijk apenschilderijen proberen te traceren en met elkaar vergeleken. Veel leiden er een half verborgen bestaan in kleine particuliere collecties. Hij promoveerde vrijdag 14 oktober aan de universiteit van Leuven.

Wie nu aan een aap denkt, denkt al gauw aan een chimpansee. Maar de zeventiende-eeuwers kenden vooral kleine aapjes. In de Nederlanden was pas in 1641 voor het eerst een mensaap te zien - een chimpansee.

De apen die in de middeleeuwen werden afgebeeld, zijn vrijwel altijd berberapen - een soort uit het nabije Noord-Afrika. Na de ontdekking van Zuid-Amerika, en ook door de toenemende handel met Afrika en Azië, kwamen er in de 16de en 17de eeuw steeds meer apen naar West-Europa, en ook steeds meer soorten apen. Welgestelde mensen hielden een aapje als huisdier. De vorstenhuizen verzamelden aapjes en gaven elkaar ook aapjes cadeau.

Een aap op een schilderij uit die tijd kan van alles symboliseren. Sommige betekenissen zijn nog goed te begrijpen, beschrijft Schepers. Ja, natuurlijk, een naakte aap kan verwijzen naar het „dierlijke” in de mens, naar schaamteloosheid of onkuisheid. En een menselijk uitgedoste aap verbeeldt dwaasheid, ijdelheid en hoogmoed.

Maar er zijn ook symbolische betekenissen die de hedendaagse toeschouwer gemakkelijk ontgaan. Een geketende aap? Je moet het maar weten: zo’n aapje kan verwijzen naar de zondige mens.

Een dronken of rokende aap

Op allegorische afbeeldingen van de vijf zintuigen verwijst een aap naar het zintuig van de smaak. Apen zouden uitstekend kunnen proeven. Een halfnaakte vrouw, afgebeeld met druiven, wijn en een aapje, zou een bacchante (wellustige alcoholica) kúnnen zijn, maar is waarschijnlijk iets anders: een allegorie van de smaak. Tabakswinkels hadden in de 17de eeuw soms een uithangbord met een rokende aap. Waarschijnlijk niet vanwege de smaak van tabak, maar omdat zowel tabak als aapjes uit Zuid-Amerika kwamen.

Dronken apen: dat lijkt een voor de hand liggend beeld, omdat dronken mensen zich gedragen als apen. Maar er is hier een nuance die de hedendaagse kijker dreigt te ontgaan, schrijft Schepers. De aap stond in de Gouden Eeuw voor de vrolijke dronk. Het varken symboliseerde de liederlijke dronkenschap, de leeuw de kwade dronk, en het schaap een weemoedige manier van dronken zijn.

De eerste apentaferelen, groepen apen die met menselijke attributen in de weer zijn, waren vaak afbeeldingen van een marskramer die in een bos in slaap gevallen is en door een troep apen beroofd wordt. De apen spelen met de buit: brillen, kammen, laarzen, muziekinstrumenten. Ze zoeken uit waar het allemaal voor dient en proberen de mens na te doen. Een variant hierop is de apendroom. Een man is in slaap gevallen en ziet in zijn droom hoe de wereld werkelijk is: alleen maar apen die dwaze dingen doen.

Uiteindelijk culmineert dit hele complex aan apensymboliek in die modieuze golf van apenschilderijen, waarmee een paar succesvolle Antwerpse genreschilders de kunstmarkt overspoelden. Degene die het genre echt in de markt heeft gezet, is David Teniers De Jonge. Anderen volgden.

Sommige gaven de aapjes realistisch weer en dan kun je ook wel zien om welke soort het gaat. Andere maakten er antropomorfe dieren van: half aap half mens - wat niet zo vreemd is, want de schilderijen gaan minder over aapjes dan over menselijke eigenschappen die op die arme aapjes geprojecteerd werden.

Pas na Darwin, en vooral ook na het ontstaan van de gedragsbiologie, zijn mensen in staat om op een andere manier naar die aapjes te kijken. Als op zichzelf staande wezens met hun eigen waarde en waardigheid.