Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Domernik

90 en toch nog elke dag schilderen

Expositie

„Er is zoveel meer dan Cobra”, zegt schilder Pierre Alechinsky (90), van wie een overzicht van zijn werk na Cobra in het Cobra Museum te zien is.

Pierre Alechinsky is 90, maar schildert nog elke dag. „Ik sta altijd vroeg op, om in mijn atelier aan het werk te gaan”, vertelt hij. Hij is bijzonder vief nog, de Franstalige Belgische kunstenaar die al jaren in Frankrijk woont en werkt. Maar, zegt hij , „ik schilder niet meer met papier op de grond. Als ik me voorover buk en dan weer omhoog kom, word ik raar in mijn hoofd.” Dat is de leeftijd, denkt hij. „Ik heb het papier nu voor me, ik werk weer verticaal.”

Hij is in Amstelveen voor de opening van zijn prachtige tentoonstelling Post Cobra in het Cobra Museum. Daar zijn grote schilderijen te zien, in zwierige penseelstreken, inkt en verf, uit het afgelopen jaar nog, in een overzicht met werk dat terug gaat tot in de jaren vijftig, toen hij nog met olieverf werkte.

Je ziet, in de keuze van het de werken door gastcurator Maarten Bertheux, goed hoe hij steeds losser begint te schilderen, met inkt en penselen, onder invloed van Japanse kalligrafie, die hij bestudeerde. „En ook door mijn ontmoeting met Walasse Ting,” zegt hij, de Chinese kunstenaar die met inkt en acrylverf vellen rijstpapier beschilderde dat op de grond lag. Hij ontmoette Ting in de post-Cobratijd in Parijs, en ze bleven vrienden, tot diens dood in 2010.

Die Japans-Chinese invloed inspireerde Alechinsky tot zijn vrije, poëtische, soms stripachtige en expressionistische schilderstijl, waarbij vormen uit toevallige lijnen en vlekken tot beweeglijke, half abstracte levendige schilderijen uitgroeien. Hij kan er jaren aan werken; er hangt een groot doek, Ultramarijn, waaraan hij van 1973 tot 2015 werkte.

Enkele van de schilderijen van Alechinsky. De tekst gaat verder onder de slideshow.

Een van die eerste grote ‘bevrijdende’ inktschilderijen van zo’n 3 bij 5 meter uit 1964 hangt op de expositie: Het roetzwart, het schaduwzwart en het beenzwart. Hij schilderde het op papier op de grond, en plakte het later op linnen, zoals hij bij al zijn doeken doet. „Ik herinnerde me dat [de Belgische schilder] James Ensor op zijn dertigste een enorm doek had geschilderd, en ik wilde kijken of ik dat ook kon, nu ik in de 30 was,” zegt hij, zijn hand liefkozend over het schilderij strijkend.

Ook de schilderijen uit zijn New Yorkse periode hangen er, zoals Central Park (uit 1965), toen hij begon stripachtige randillustraties rond de centrale voorstelling te maken, die kenmerkend voor zijn werk zijn. „Onze ogen dansen maar rond om alles te zien,” legt hij uit. Zo’n stripachtige rand „beschermt” het beeld dat hij maakt. Religieuze schilderijen hebben soms zo’n strook, een predella. „Ik maak atheïstische predella’s”, zegt Alechinsky.

Strips hebben hem zeker geïnspireerd – „Ik las de strips van Kuifje van Hergé in de oorlog als jongen, erg mooi, in zwart-wit.” Maar eenduidige vertellingen zijn Alechinsky’s beeldverhalen nooit, daarvoor is hij te veel beïnvloed door het spontane van het surrealisme en Cobra. Hij was een jong lid van die naoorlogse kunststroming. Maar aldoor praten over Cobra wil hij niet meer. „Die stroming heeft maar drie jaar geduurd. Er is meer dan Cobra. Ken je die uitdrukking in het Frans, j’ en ai ras le bol, ik heb er genoeg van? Ik zeg wel eens j’ en ais Cobras le bol.”

Pierre Alechinsky: ‘Post Cobra’, Cobra Museum Amstelveen, t/m 22 jan 2017.