Column

Speelgrot

CULRoosmalen 1

In het centrum van Amsterdam zit een ondergronds speelpark: TunFun. Ik vind ondergrondse verzamelplaatsen voor ouders met kinderen op zich een goed idee. „Deksel erop schroeven”, zei ik in een vorig leven weleens als ik er voorbij fietste. Zaterdagmiddag daalde ik zelf af in de kindergrot. Ik betaalde 8,50 euro bij een kassahokje, waarna er een stoplicht op groen sprong.

„Dat betekent dat jullie door mogen lopen”, zei het kassameisje dat waarschijnlijk ook had meegemaakt dat mensen dat niet snapten. Daar gingen de dochter (1) en ik (48), een weeïge geur van plastic en volle luiers kwam ons tegemoet. Het ging kruip-door-sluip-door naar een hal met speeltoestellen. Aan picknicktafels zaten ouders wezenloos voor zich uit te staren. Sommigen probeerden met oordoppen in op een laptop te werken.

En dat waren dan nog de geluksvogels, hun kinderen konden al zelfstandig spelen. Ik moest naar de mini-afdeling waar een ballenbak, een glijbaan en gekleurde matten waren, die allemaal even plakkerig aanvoelden.

De schoenen moesten uit.

Ik zette de dochter tussen haar soortgenootjes in de ballenbak, een bak met duizenden vieze balletjes waar ze allemaal aan likten, en ging tussen de andere ouders achter het net staan. Veel vaders filmden hoe hun kind werd geplet door de andere kinderen. Ik vond de meeste andere kinderen vies, en dat waren ze ook.

Er speelden zich verbazingwekkend gore taferelen af. Een vrouw met een tatoeage op de onderrug viste haar kind uit de bak, stak haar vinger onder het rompertje en tetterde ‘volle bak!’, ‘hallo, vol-le bak’ naar haar vriend die even verderop met een van zijn andere kinderen aan de gang was en ‘laat maar gaan’ terug snauwde.

Het poepkind werd weer tussen de ballen gezet.

Een mevrouw met een hoofddoek begon aan een sociologisch experiment en bracht een zak gele plakbanaantjes in toen haar zoontje begon te brullen.

De taferelen die volgden deden denken aan Lord of the flies, de roman van William Golding waarin een groep Engelse schooljongens met elkaar moest zien te overleven op een onbewoond eiland en die uiteindelijk degenereerden tot een groep wilden.

Die van mij hield zich afzijdig, maar de wat ouderen kropen verwilderd op het kind met het snoep af. De domme kracht zou hebben gewonnen als niet een van de vaders zich tot ergernis van andere ouders geroepen voelde om zelf in de ballenbak te kruipen en zijn kind te ontzetten.

Ik trok de dochter er ook maar uit. Daarna kropen we over de plakkerige matten. We botsten bijna tegen de benen van een ‘toezichthouder’ die waarschuwde voor ‘plasjes kots’.

Alsof ons dat nog uitmaakte.